Geschiedenis kustartillerie | Kustverdediging | Bewapening

Torpedostation | Ontwikkeling munitie

 

Home/Accueil

●  Inleiding/Preface

●  Nieuws

Nederlands

●  De Stelling Den Helder

●  Kustartillerie

●  Forten

●  Batterijen

●  Linies/retranchement

●  Nederlandse bunkers

Duits

●  Batterijen

●  Bunkers

●  Radar

●  Mijnenvelden

Overige plaatsen

●  Callantsoog

●  Den Oever

●  Petten

●  Schagen

●  Schoorl

●  Terschelling

●  Texel

●  Vlieland

Diversen

●  Boeken/livres

●  Links/Liens

●  Updates

●  Site

 

 Torpedostation

 

 

© J. van Tongeren - 26 september 2006

 

 

Het eerste torpedostation in Nederland werd in 1876 gebouwd in het fort Kijkduin Den Helder. De verdediging van de toegang tot de Stelling van Den Helder (Schulpengat) bleef de hoofdtaak van fort Kijkduin. In de jaren tot 1881 werden ook torpedostations gebouwd in Hellevoetsluis, Willemstad en fort De Ruyter (Vlissingen).

 

 

Vooraf aan de bouw ging de discussie of de Stelling van Den Helder verdedigd moest worden door schepen van de Koninklijke Marine danwel door de Koninklijke Landmacht door het leggen van verankerde mijnen (toen torpedo's genoemd), wat veel goedkoper was. Fel voorstander van de tweede optie was de 'landmacht' Majoor J.C.C. den Beer Poortugael (werd minister van oorlog in 1879). De regering koos uiteindelijk voor de electro-schoktorpedo's, die door middel van electriciteit vanaf de wal geactiveerd werden en het vaarwater voor eigen scheepsvaart bevaarbaar hielden.

 

Torpedostation

Binnen het reduit van fort Kijkduin werd in 1879 in het oostelijke gedeelte van kazemat nummer twee een ruimte (zes bij negen meter) ingericht als torpedostation. In kazemat twee, dat diende als manschappenverblijf, maakte men een cementenput (doorsnee 1.30 m en diep 5.70 m), die door een cementenriool (doorsnee 0.35 bij 0.50 m) onder de vloer in verbinding stond met het torpedostation.

 

Toegangskelder

Buiten de contre-escarp van de kustbatterij werd een torpedo-toegangskelder gemaakt. De bodem van deze cementen put (doorsnee 1.30 m) lag op hetzelfde peil als die van de kazemat. Ze waren verbonden door een 52 meter lange cementen riool (doorsnee 0.80 bij 1.20 m).

Vanuit de buitenput voerde een 180 meter lange leiding van cementen buizen (doorsnee 0.35 bij 0.50 m) naar de plaats bestemd voor de kabelkist (verzamelkist van torpedokabels).

 

 

Kabelkist

Kabelkist en koker van de kabelleiding voor de torpedo-versperring bij het fort Kijkduin.[1]

De gemetselde kabelkist was binnenwerks 2.40 m lang, 2.00 m breed en 1.10 m hoog. Het doel van de kabelkist was om de verzameling van de einden van de kabel voor de torpedo-versperring en ruimte om daaraan de kabel te lassen, die in oorlogstijd van daar naar de versperring moet worden gelegd.

Om de kabels te leiden waren binnen in de kist twee verticale platen gesteld, elk 1.40 m lang en 0.30 m hoog, waarin elk honderd gaten waren geboord. Een gedeelte van de aan de kist aansluitende steenglooiing (twee meter breed) was langs de noord- en zuidzijde begrensd door houten beschoeiingen (die echter in het bovenvlak van de steenglooiing niet zichtbaar waren). Zodoende kon men in oorlogstijd de steenglooiing - voor het leggen van de kabel - snel opbreken.

Op de kabelkist was boven de plaatijzeren dekking een ronde koker van beton aangebracht (doorsnee 1.15 m en 3.60 meter hoog). In de bovenrand van de koker bevonden zich twee openingen, elk met een doorsnee van 1.80 m en 0.15 m hoog, waardoor in oorlogstijd de kabels gelegd konden worden. In de koker bevond zich verder een ijzeren ladder.

 

Electrisch zoeklicht

Na mei 1902 maakte men ten noorden van het reduit (ter hoogte van de huidige parkeerplaats) een gedekte opstelling voor het electrisch zoeklicht. Met behulp van dit zoeklicht kon men 's nachts het gebied waar de torpedoversperringen lagen beschijnen.[2]

 

Korps Torpedisten

Het Nederlandse leger richtte in 1876 in Brielle een torpedoproefstation in. Zes jaar later, in 1882, werd het Korps Torpedisten opgericht dat toen behoorde tot het Wapen der Artillerie. De Torpedisten ontleenden hun naam aan de Elektro Schok Torpedo's (E.S.T.'s): een soort verankerde mijnen, die, in tegenstelling tot contactmijnen, hun stroombron aan de wal hadden. Ze waren met kabels aan het vaste land verbonden en konden dan ook vanaf de wal in- en uitgeschakeld konden worden. Op die manier kon het vaarwater voor eigen schepen worden open gehouden.

 

De E.S.T.'s kwamen in gebruik in de tweede helft van de vorige eeuw na de ontwikkeling van electriciteitskabels die voor gebruik onder water geschikt waren. Ze werden vooral gebruikt bij het beschermen van oorloghavens en dergelijke. E.S.T.'s waren veelal peervormige mijnen met een lading schietkatoen van ± 80 kg. In 1930 werden de E.S.T.'s afgeschaft en namen de contactmijnen van de Koninklijke Marine de taak in de zeegaten over.

 

Sedert 1906 bestond het Korps Torpedisten uit twee compagniën, respectievelijk de 1e compagnie in Den Briel en de 2e compagnie in Den Helder. De staf van het korps bevond zich in Den Briel, waar een goed geoutilleerde werf met vaartuigen aanwezig was.

 

Bij het begin van de mobilisatie in 1914 was het korps als volgt ingedeeld:

-     de staf: een Luitenant Kolonel of Majoor Commandant, een Luitenant-Adjudant, een Kapitein van Administratie, een schrijver, een Mr. geweermaker, een kleermaker.

-     de 1e compagie: 1e peloton Hellegaten (Willemstad), 2e peloton Hellevoetsluis, 3e peloton Hoek van Holland.

-     de 2e compagnie: 1e peloton Den Helder

 

Ieder peloton, praktisch 'versperring' genaamd, vormde in oorlogstijd een geheel zelfstandig onderdeel dat ook in vredestijd zoveel mogelijk werd gehandhaafd.

Ieder peloton (versperring) bestond gemiddeld uit: twee officieren, een machinist, een opperschipper, een sergeant majoor instructeur, een sergeant majoor Adm. of fourier als administrateur, vijf sergeanten, twee sergeanten-schipper, twee korporaals-schipper, een korporaal-stoker, twee torpedist-stokers, vijf korporaals, een smit, een timmerman, een kok, plus acht lichtingen van gemiddeld 25 man.

Voorts beschikte iedere versperring over zijn eigen vaartuigen en materieel, voor zover dit niet in oorlogstijd door rekwireren (vorderen) van particulieren moest worden aangevuld. Hiervoor waren reeds in vredestijd contracten  gesloten.

 

Het vaste vaarmaterieel bestond uit:

-     een stoomboot, al dan niet voorzien van elektrisch zoeklicht, afhankelijk van het feit of vaste zoeklichten op de versperringen aanwezig waren;

-     een Schokker voor het lichten van de mijnen en de nodige barkassen, sloepen en vletten, die bij het leggen van de elektroschoktorpedo's nodig waren.

 

Genoemd materieel was ook in Den Helder aanwezig waar de 2e compagnie, bestaande uit een peloton, zelf een versperring verzorgde. De benodigde mijnen waren in Den Helder opgeslagen in de drie nog aanwezige loodsen op fort Westoever.

 

Bij het begin van de mobilisatie voor de Eerste Wereldoorlog werd de mijnversperring voor fort Kijkduin daadwerkelijk gelegd. Als gevolg van slijtage ontstonden kabellekken. Later werden de mijnen vervangen door één van de type mijnen van de Koninklijke Marine die geen kabels nodig hadden. De 2e compagnie Torpedisten had hierdoor geen taak meer en werd overgeplaatst naar de grote rivieren en de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

 

Mijnontploffingen

Zoals gezegd nam de Koninklijke Marine het leggen van zeemijnversperringen als taak op zich. In 1907 was al in de Rijkswerkplaatsen, in samenwerking met diverse particuliere firma's, de eerste "eigen" mijn van Nederlands fabrikaat vervaardigd, de zogeheten type 1907-contactmijn. Later werden nog twee andere soorten ontwikkeld, de zgn. "type 1918" en "type 1921" mijnen, die qua afvuurprincipe gelijk waren aan hun voorganger.

 

Tweede Wereldoorlog

Tijdens de mobilisatie van de Tweede Wereldoorlog werden de nodige zeemijnversperringen voor de kust bij Den Helder gelegd door de Koninklijke Marine.

 

Overzicht mijnenvelden naar de toestand van 10 mei 1940:

A.   Buitenversperring Molengat

B.   Binnenversperring Molengat

C.   Versperring Westgat

D.   Binnenversperring Schulpengat

E.   Buitenversperring Schulpengat

 

De herfststormen van 1939 hadden talrijke mijnen, die van hun ankers waren losgeslagen, op de Nederlandse kust gedreven. Zo ontplofte er op 30 december 1939 zowel in de vroege morgen als 's avonds een zeemijn tegen de dijk te Huisduinen die een schade van f. 7.000,= aan het N.V. Zeebad aanrichtte. In de nacht van de 18 januari 1940 richtte een mijnontploffing een nog grotere schade aan. Een Nederlandse mijn, die door de westerstorm naar de kust was gedreven (vlak voor de Badhuisstraat), sloeg bij hoog water een gat van acht meter in de dijk. Van het hotel annex paviljoen N.V. Zeebad Huisduinen was letterlijk geen ruit meer heel. Ook ramen en daken van het Rode Kruisgebouw en van een aantal villa's aan de Kijkduinlaan raakten ernstig beschadigd.[3]

 

De twee mijnexplosies van 30 december 1939 hebben in Huisduinen grote verwoestingen aangericht, waarbij ongeveer alle woningen in de badplaats beschadigd waren. Een Nederlandse militair aanschouwt de schade. (Foto P. Riteco)

 

Maart 1940 ergens aan de Nederlandse kust. Deze aangespoelde zeemijn kon door Nederlandse militairen gedemonteerd worden.

Kon een aangedreven mijn niet gedemonteerd worden, dan werd zij door middel van enkele blokjes pikrinezuur tot explosie gebracht. (Foto P. Riteco)

 

 

Afbraak kustbatterij

Aangezien in het kader van de Deltawet de Helderse zeewering moest worden opgehoogd, droeg het Ministerie van Defensie het voorliggende terrein van de kustbatterij van het fort Kijkduin over aan Rijkswaterstaat, die vervolgens ten name werd gesteld van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Halverwege januari 1970 begon de firma G. Kruk N.V. (Beverwijk) met de sloop van de kustbatterij aan de zeezijde, waardoor de oppervlakte van het fort ongeveer gehalveerd werd. Mede hierdoor werd ook de 180 meter lange torpedogang afgebroken. De werkzaamheden duurden ongeveer een half jaar.[4]

 

Herondekt

In oktober 1992 ontdekten een groep jongens tijdens schoonmaakwerkzaamheden in het oostelijk gedeelte van kazemat  drie een betonnen deksel. Onder de deksel bevond zich een 5.70 meter diepe put. Na deze afgedaald te hebben ontdekten de jongens het torpedo-riool. Emmertje voor emmertje takelden ze het zand dat zich in het riool bevond omhoog. Met het zand kwam een aanzienlijke hoeveelheid Duitse munitie naar boven. Nadat het nog intacte riool was uitgegraven, bleek dat nog twintig meter van de oorspronkelijke cementen torpedoriool aanwezig was. Het eindpunt was afgedekt met een grote betonplaat.

De put in het reduit is tijdens de rondleiding voor de bezoekers te bezichtigen.

 

 

Bronnen:

  • Anoniem: "De Zeemijnen". In: De Wacht. 1e jaargang, nummer 8 (6 januari 1940), p. 12-14.

  • Brugsma, Ch.A. (reserve Majoor der Genie b.d.): "De torpedisten". In: Genie, 22e Jg. nummer 5 (mei 1972), p. 113-120.

  • Feenstra, G.W.: Het leggen van een torpedoversperring. In: Genie, 26e Jg. nummer 11 (november 1976), p. 243-244.

  • Harberts, Mr. W.F. (KLTZ): 75 jaar mijnendienst ... en hoe nu verder? In: Marineblad, 92e Jg. nummer 6 (1982), p. 296-307.

  • Mussert, J.: Organisatie en werkwijze van het Korps Torpedisten. In: J. Kooiman: De Nederlandsche strijdmacht en Hare mobilisatie in 1914. Arnhem, p. 873-886.

  • Mussert, J.: De Torpedisten der Landmacht. In: De Militaire Spectator, 92e Jg. (1923), p. 457-474.

  • Verbeek, Drs. J.R.: Kustversterkingen 1900-1940. 's-Gravenhage 1989 p. 140-156.

 

Eindnoten:


[1] Algemeen Rijksarchief (ARA), Afdeling Kaarten & Tekeningen (AK&T), Plans van Vestingen (OPV), nummer 182 en Rijksarchief Noord-Holland (RA-NH),

[2] ARA, AK&T, OPV, nummer H 191 en H 195.

[3] Algemeen Handelsblad, donderdag 18 januari 1940.

[4] Helderse Courant dd. 13 januari 1971.