De stelling van Den Helder | De blokkade der stelling van Den Helder

Napoleon bezoekt Den Helder

 Artilleriekazerne | Kledingmagazijn

Home/Accueil

●  Inleiding/Preface

●  Nieuws/Nouvelles

Nederlands/Néerlandais

●  De Stelling Den Helder

●  Kustartillerie

●  Forten/Forteresses

●  Batterijen/Batteries

●  Linies/retranchement

●  Bunkers/Abris

●  Monumenten

Duits/Allemand

●  Bunker complexen

●  Bunkers/Abris

●  Radar

●  Mijnenvelden

Overige plaatsen

●  Callantsoog

●  Den Oever

●  Petten

●  Schagen

●  Schoorl

●  Texel 

Diversen/Divers

●  Boeken/Livres

●  Links/Liens

●  Updates

●  Site

 

 

De blokkade der stelling van Den Helder *1)

               (16 November 1813-4 mei 1814)

                         

door

W.G. de Bas

 

 

De stelling van Den Helder in November 1813.

 

Bestijgen we in gedachten op eenen helderen, zonnigen October-morgen van 't jaar 1813 het hooge Kijkduin, dat geel-groen steil opdeinst uit den stil kabbelden, zilten waterspiegel van azuur. Van hier genoot men toen evenals thans 't kostelijk schoon vergezicht tot 't blauwige Wieringen in 't oostelijk verschiet en de kerktorens van Schagen en Alkmaar aan de zuiderkim, terwijl de belangrijke versterkingen van Holland's noordpunt zich als eene blokkendoos aan onze voeten uitspreid­den. Beneden, grenzend aan onze verheven standplaats, zag men op de roodpannen daken der schamele visschershutten van het dorpje Huisduinen en op een half uur gaans oostwaarts het tegenwoordige Oude Helder. Het terrein onmiddellijk ten zuiden van dit dorp droeg den naam van Het Buitenveld. Langs den oostelijken duinvoet liep De Zanddijk, de eenige verbinding over land met Alkmaar, langs de hoeven Kleine en Groote Keet. Ten zuiden van Groote Keet verbreedde Noord-Holland zich naar 't oosten, terwijl een zware dijk, die over Oudesluis en Wieringerwaard liep, dit deel des lands in 't noorden beschermde. Noordelijk van dezen dijk sterkte zich de zandbank 't Balgzand uit tot aan de haven het Nieuwe Diep. Tusschen Buitenveld, Zanddijk en Balgzand lag een drassig terrein. dat eerst in 1818 aan de oostzijde werd bedijkt, het zgn. Koegras.

 

Overzicht kaartje Den Helder met franse benamingen

 

Op het Kijkduin lag het fort Morland (het tegenwoordige fort Kijkduin), omgeven door eene droge gracht, omringd door een bedekten weg en bestemd voor eene bezetting van 600 man in bomvrij onderkomen. Ten zuiden van dit fort lag de batterij Morland en in de duinen, ter hoogte van Kleine Keet, het fort Dufalga. Het grootste fort der stelling van het vijfhoekig fort Lasalle (het tegenwoordige fort Erfprins), met poorten naar Den Helder, Huisduinen en de zee. Eenige der bastions droegen de namen van helden uit de Fransche krijgsgeschiedenis als: Turenne, Vauban, Duquesne, Tourville en Caffarelli. De binnenruimte werd gedeeltelijk ingenomen door kazernen en kazematten, eene bakkerij, een gemetselden regelbak, meerdere kruit- en levensmiddelen magazijnen en een bomvrij hospitaal, in welke gebouwen o.a. eene hoeveelheid levensmiddelen voor 2000 man gedurende 3 maanden was opgelegd. Het fort l'Ecluse (het tegenwoordige bastion Dirks-Admiraal) lag in 't verlengde van den Sluisdijk (de tegenwoordige Sluisdijkstraat); het werd gedurende de blokkade in het belang der verdediging gedeel­telijk door eigen troepen geslecht. Het fort Dugommier of het Nieuwe Werk (het tegenwoordige fort Oostoever) was een vier­hoekige uitbouw in den zeedijk aan 't Nieuwe Diep, voorzien van banketten en geschutstanden; hierin bevonden zich o.a. etablissementen voor de marine. Het gedeelte der geprojec­teerde nieuwe stad was gelegen buiten den Sluisdijk aan het Nieuwe Diep.

 

De batterij de la Révolution of la Batterie Impériale (het tegenwoordige werk Kaaphoofd) lag noordelijk van Lasalle; hiervan volkomen gescheiden werd zij door dit fort in de keel gedekt. De batterij le Roi de Rome lag oostwaarts van den bedekten weg om Lasalle; zij werd tijdens 't beleg dwars over de steenen glooiing van den dijk gebouwd uit aarde van de geslechte en meer oostwaarts gelegen batterij le Réparateur. De batterij l'Indivisibilité lag tusschen het fort Lasalle en 't Nieuwe Diep op de plaats van de tegenwoordige Oostbatterij, terwijl de batterij l'Union tusschen l'Indivisibilité en het Nieuwe Diep was gelegen. Het retranchement of de linie van Den Helder, eenerzijds leunend aan den bedekten weg om Lasalle, anderzijds met eenige getacheerde werken aan de batterij l'Union, sloot het dorp van de landzijde af.

 

De vloot telde de navolgende 9 linieschepen en 6 fregatten:

Linieschepen

 

 

 

De Prins (vlaggeschip)

commt.kapt,

Musquetier

80 stukken.

De Zoutman

    "       "

Rijsterborgh

80    "

De Ruijter

    "       "    

Hora Siccama

80    "

Amsterdam

 

 

ontwapend en onttakeld.

Brabant  

 

"

"

Admiraal Evertsen

commt.kapt.

Ziervogel

80 stukken.

Doggersbank 

    "       "

L. Frederiks

68    "

Jan de Wit 

 

 

ontwapend en onttakeld.

Rotterdam 

    "       "

 

"

Fregatten

 

 

 

La Meuse

commt.fregats-kapt.

Croquet des Hauteurs

44 stukken.

l'Issel     

    "        "         "

Rejoit

44    "

Aurora   

 

 

ontwapend en onttakeld.

Maria Reigersbergen     

    "        "         "

"

"

Korvet Venus

commt.fregats-kapt.

Cambier

20 stukken.

Brik Irena

    "        "         "

Coertzen

20    "

         

Bovendien bevonden zich in 't Nieuwe Diep de schoeners De Gelder den Warmond benevens een aantal flottille vaartuigen en het Fransche jacht le Génie onder den lieutenant-de-vaisseau Des Landes, welk vaartuig later ter beschikking werd gesteld voor den overtocht van den admiraal Ver Huell naar Frankrijk. Tijens het beleg viel een gedeelte der flotille van de Zuider­zee onder den fregats-kapitein De Roth en van die der kusten van Friesland onder den luitenant Dillié in het Nieuwe Diep binnen.

 

In 1812 was de vice-admiraal Carel Hendrik graaf Ver Huell door keizer Napoleon aangesteld tot opvolger van den admiraal De Winter als inspecteur-generaal der kusten van de Noordzee met het bevel over de scheepsmacht der Zuiderzee, het Texelsch eskader, Den Helder en onderhoorigheden. Hij was op den 4en Februari 1764 te Doetichem geboren en behoorde tot de zee-officieren, die den eed aan de Bataafsche Republiek in 't jaar 1795 hadden geweigerd en hunne militaire loopbaan hadden vaarwel gezegd. Als aanhanger van 't Oranjehuis en adjudant van zijnen voormaligen zeevader, den admiraal Van Kinsbergen, was hij getuige geweest van het afscheid der vorstelijke familie aan 't Scheveningsche strand. Zijne gehechtheid aan de verdreven dynastie was echter niet bestand tegen den glans, roem en glorie van het keizerlijk Frankrijk en van "le héros, qui les a conduits à plus de cent victoires" gelijk hij zelf van Napoleon gewaagt. Hij koesterde eenen diepgewortelden wrok jegens de Engelschen, wier krijgsverrichtingen hier te lande in 't jaar 1799 hij nimmer kon verkroppen. "Wanneer ik ooit als bevelhebber een voet op een oorlogsschip mag zetten, dan hoop ik, dat de eerste kogel zal gericht zijn tegen een En­gelschman", zeide hij eens in eene redevoering.

Carel Hendrik graaf VerHuell ,

geboren Doetichem 4 februari 1764,

 overleden Parijs 25 oktober 1845

Toen in 1803 de vijandelijkheden met Engeland werden hervat, eischte de eerste consul Bonaparte eene krachtige samenwerking met de Bataafsche Republiek en de vorming eener flotille van kleine vaartuigen voor den overtocht zijner troepen naar Engeland. Hij wenschte de zending van een geschikt persoon naar Parijs om met hem over de uitrusting dier vloot te beraadslagen. Ver Huell, in 1803 wederom als zeeofficier in 's lands dienst getreden, werd de bemiddelaar tusschen het gebod van den machtigen Consul en den verholen onwil en de volslagen onmacht der Bataafsche Republiek. Bonaparte wist spoedig "den Hol­landschen schout bij nacht" voor zich te winnen, die er mees­terlijk in slaagde zijne te Vlissingen verzamelde vloot van kanonneerbooten onder voortdurende schermutseling met de Engelschen die de kust blokkeerden, behouden naar Boulogne te loodsen, waar het kamp der Fransche troepen was opgeslagen voor den overtocht naar Engeland. Op den 15en Augustus 1804 begiftigde de Keizer hem aan het strand te Boulogne, voor het front der troepen, met het gouden kruis van het legioen van eer. Als vertrouweling van Napoeon in Hollandsche aangelegen­heden werd hij tegen wil en dank een vinger der krachtige hand die het arme vaderland omknelde. Benoemd tot bevelhebber over het Texelsch eskader, werd hem gelast 9 oorlogsschepen uit te rusten voor den overtocht naar Engeland - helaas - niet onder Nederlandsche vlag, zoals hij dit zoo vurig had gewenscht!

 

In de dagen van 1813 was Ver Huell een der weinigen, die zich niet spontaan door vaderlandslievende gevoelens liet mede­sleepen. Zijne onbegrensde bewondering voor Napoleon den Groo­ten, dien hij in allen luister van nabij had gekend en gezien, de onverbreekbare krijgsmanseed aan zijnen Keizer verplichtten hem tot trouw aan den Franschen souverein. Gesteld voor de keuze tusschen overgang naar Oranje of trouw aan zijnen Kei­zer, deed het begrip van militairen plicht en eer hem 't laatste verkiezen boven het eerste.

 

Aan zijn beleid, zijne standvastigheid, zijnen onbegrensden invloed op zijne ondergeschikten dankt Nederland ten slotte het ongeschonden behoud van vloot, forten en materieel, zonder dat schier een droppel bloed werd vergoten. "Indien ik hen verlaten had waren de gevolgen niet te berekenen geweest" schreef hij den admiraal Van Kinsbergen. De sterke bezetting en bewapening der stelling gebruikte hij slechts ter bewaking van het kostbaar pand, hem toevertrouwd. Uit den overvloed van levensmiddelen spijzigde en laafde hij armen en behoeftigen; hij beschermde de burgerij tegen elken overlast van militaire zijde en beperkte het vijandelijk samentreffen met de Neder­landsche strijdkrachten, zoowel als de strooptochten en re­quisitiën ten laste der omliggende plaatsen van Noord-Holland tot 't alleruiterste. Geene woning werd afgebroken, hoezeer het belang der verdediging zulk mocht eischen; "zoodra de vijand er ons toe dwingt zullen we het doen; we hebben er altoos den tijd toe" placht de admiraal te zeggen. Hij wen­schte geen landgenoot als vijand te beschouwen dan dengene, die hem 't eerst zou aanvallen; dan echter zou hij bereid blijken, zich tot 't uiterste te verdedigen.

 

Het standvastig gedrag van hem, die aanvankelijk in de beweging van November 1813 slechts meede te zien "een volksopstand zonder eenig bepaald doel of regel", en die zich in elk geval volgens plicht en geweten bij eede gebonden achtte aan den Franschen overheerscher, ergerde den herstelden vorst zoowel als het verloste volk. Weinigen uit die dagen wisten Ver Huell's handelingen onbevoordeeld naar waarde te schatten. Thorbecke heeft terecht van hem gezegd: "In zulke tijden vindt het gelukkig verraad toejuiching, maar er is eene ongewone sterkte van wil noodig om niet met de menigte te loopen" *2). De Prins, die zonder onderscheid van staatkundige antecedenten alleen aannam die tot hem kwamen, weigerde dezen voormaligen aanhanger van zijn huis persoonlijk te ontmoeten.

 

Verbitterd door de bejegening in Holland ondervonden, liet Ver Huell zich door Lodewijk XVIII als Franschman naturaliseeren. Hierdoor gingen zijne onmiskenbare talenten voor 't vaderland en de Hollandsche marine voor goed verloren.

 

Arc de Triomphe,

kolom 1 vierde van boven.

 

Op den 25en October 1845 ontsliep hij te Parijs; zijn naam prijkt op den Arc de Triomphe onder die der helden van het eerste Fransche keizerrijk; zijne assche rust in vreemden bodem op de begraafplaats Père la Chaise aan de oevers der Seine.

 

 

Het voorspel der blokkade.

(16 November - 7 December 1813)

 

Sedert den 4en November was de vrije loop der post gestremd; de ingekomen berichten van buiten waren onwaarschijnlijk en tegenstrijdig; de beurtschepen van Amsterdam werden belet binnen te vallen en de brieven, die men ontving, waren geopend. Men was in Den Helder volslagen onbekend met hetgeen elders in ons land geschiedde.

 

Omstreeks 5 November was de tijding ontvangen der nederlaag van de Fransche wapenen bij Leipzig (18 October 1813). Generaal Molitor trok de troepen uit Holland, waaronder ook gedeelten der bezettingen van Den Helder en Texel bij Utrecht samen; blijkbaar achtte men die belangrijke punten voldoende beschermd door de Hollandsche matrozen, de nationale garde en de geringe Fransche krijgsmacht die daar overbleef. Admiraal Ver Huell hield in zijn uitgestrekt kustgebied van Eems tot Maasmonden slechts eene zeer onvoldoende troepenmacht over; ten slotte beschikte hij voor de verdediging der stelling van Den Helder, buiten de 1500 Spaansche krijgsgevangenen, aan Fransche troepen nog over de bemanningen der fregatten Meuse en Issel (vormende de z.g. 63e équipage de haut bord) en die der brik le Génie, eene compagnie artillerie Elzassers, een bataljon kolonialen, eene compagnie nationale garde, een depôt zieken, verplegings- en hospitaalpersoneel. De zeeofficieren en het scheepsvolk waren meerendeels Hollanders.

Op den 16en November was de Fransche overste der genie De Foucauld, die zich met verlof te Amsterdam bevond, in allerijl van daar teruggekeerd. Hij bracht het eerste nieuws in Den Helder van de volksbeweging te Amsterdam, waar de Fransche ambtenaren waren verdreven en het volk dreigde de huizen te plunderen van allen, die aan het Fransche gezag bleken gehecht. Deze berichten werden bevestigd bij schrijven van den te Amsterdam achtergebleven Franschen marine-prefect Truguet.

 

Reeds van 14-16 November had admiraal Ver Huell het eskader, waarop zich onrust begon te openbaren, grootendeels binnen het Nieuwe Diep teruggetrokken. Hij achtte het zijnen duren plicht de discipline op de schepen ten strengste te handhaven en elken geest van verzet in de kiem te smoren.

De Franse marine-prefect Laurant Jean François Truquet, geboren Toulon 10 januarie 1752,

overleden  Toulon 1839.

 Hij werd op 22 mei 1811 benoemd  tot Zeeprefect in het Maritiem arrondissement Holland (Amsterdam en Rotterdam).

   

Op den 16en November verklaarde hij Den Helder en onderhoorigheden in staat van beleg en aanvaardde hij het bevel over zee- en landmacht, aldaar in bezetting. Hollander van geboorte, in Franschen dienst, door krijgsmanseer en militairen plicht gebonden aan Frankrijk's souverein, zou hij eene Fransche stelling op Hollandsch grondgebied, zijns inziens in Holland's eigen belang, verdedigen tegen eene nationale volksbeweging. Dit standpunt is wel eenig in de historie des vaderlands! De barrières werden gesloten en elke verbinding met het zuiden, zoowel te water als te land, verbroken. De forten werden deels door de equipages der schepen bezet, het fort Morland door die van de Prins en l'Ecluse door die van de Zoutman.

 

Op de 18en November, 's ochtends om zes uur, bleken de douanen en peilders gevlucht na de kassen te hebben gelicht. De ontvanger der belastingen, de heer L. Schoon, had het bord met den Franschen adelaar voor zijn huis weggenomen, zijn kantoor gesloten en was zonder opgaaf van redenen vertrokken *3).

Geheimzinnig verspreide brieven met overdreven en onjuiste berichten wonden de gemoederen der ingezetenen op; de politie had moeite om de rust en orde in de gemeente te bewaren.

 

Op den 19en November waagden eenige overmoedige jongelieden luid langs de straten "Oranje boven!" te zingen. Een van hen werd door de gendarmes gevat doch door de Hollandsche matrozen weer ontzet. Daar de politie dreigde het dorp in staat van oproer te verklaren, als de schuldige niet werd uitgeleverd, gaf deze zich vrijwillig gevangen, doch werd daags daarna weer op vrije voeten gesteld. Overtuigd dat de Hollandsche matrozen weldra zouden trachten de vreugde hunner landgenooten over de verlossing des vaderlands te deelen, liet de admiraal bij toenemende spanning en onrust onder 't scheepsvolk vele tijdeljke verlofpassen uitreiken. Na het verlaten hunner bodems trokken de jantjes onder het zingen van nationale liederen door het dorp en zweepten de geestdrift der burgers ten top. De Fransche commissaris van politie Babut en de Fransche commandant der landmacht, generaal-majoor Mayer meldden zich bij Ver Huell op 't admiraalschip met het voorstel, om het dorp in staat van oproer te verklaren, waarop deze hun waardig antwoordde: "Mijne heeren, waar ik bevel voer bestaat geen oproer; dit moet U genoeg zijn".

Dienzelfden dag werden de korvet Venus met 12 kanonneerbooten onder den luitenant Bronovo naar Oude Schild, waar men de Oranjevlag had ontplooid, gezonden, om de Fransche ambtenaren en de bezetting op 't eiland Texel te beschermen. Nadat de batterij aan boord was geladen en op het dorp gericht, begaf de commandant zich met twee gewapende sloepen aan wal onder de volksmenigte, die de Fransche wapenborden had afgerukt. Kalm hield hij den Texelaars voor hoe onvoorzichtig zij handelden: "Wanneer een Fransch generaal in Den Helder het bevel voerde, zou deze enkele korvet het geheele dorp plat schieten", sprak hij, "doch admiraal Ver Huell is edelmoediger en gelast mij U aan te manen rustig te blijven en de goede zaak van het vaderland niet te benadeelen door het mishandelen en bloedvergieten van menschen, die te zwak zijn om zichzelf te verdedigen". Toen drong de stoere, rondborstige loods Klaas Gomes naar voren en antwoordde: "Je spreekt goed mijnheer, als je lust had schoot je de heele boel plat, maar we hebben allen te veel eerbied en verplichting aan dien goeden admiraal Ver Huell om hier oproer te maken. Het is hier niet oproerig en de vlaggen waaien, omdat mijn dochter is ondertrouwd en we geen Fransche vlaggen bezitten". Na dit antwoord werden de wapenborden weer opgehangen en de vlaggen ingehaald; de volmaakste orde keerde op 't eiland terug zoolang de Venus voor Oude Schild bleef geposteerd. Toen deze echter 4 December wegens ijsgang naar het Nieuwe Diep terugging, vlagden de Texelaars, van allen dwang bevrijd, naar hartelust. Als op nieuwjaarsdag 1814 naar gewoonte eene deputatie van het eiland den admiraal te fort Lasalle kwam gelukwenschen, kon deze niet nalaten minzaam er op te wijzen, hoe onvoorzichtig de Texelaars hunne nationale gevoelens hadden geuit, in weerwil van de aanzienlijke macht die hen ten zuiden van 't Marsdiep bedreigde.

 

Op den middag van den 27en November kwam een groot parlementair jacht, de Batavia, met de Nederlandsche vlag in top, op schootsafstand van de korvet Venus. Luitenant Bronovo noodzaakte dit jacht door een scherp schot te ankeren. Hij zond den aviso Vos om te vernemen wat dit vertoon had te beduiden, met verbod verder door te varen onder eene vlag die 't eskader niet erkende en onder bedreiging van krachtdadig protest. Aan boord van dit jacht bevond zich eene deputatie van de commissarissen-generaal van het Algemeen Bestuur te Amsterdam, bestaande uit de heeren onder-equipagemeester Mooyaart, luitenant Steeling en kapitein Heemskerck. Deze waren door den schout bij nacht Verdooren belast met het overbrengen eener depêche aan den admiraal Ver Huell, gedateerd 24 November. De brief bevatte de officieele mededeeling van hetgeen in 't hart des lands was geschied; er waren verschillende proclamaties en publicaties aan toegevoegd. Zij eindigt als volgt: "Wij sommeren derhalve UhoogedGestr. om aan boord uwer vloot de Hollandsche of Oranjevlag weder op te hijschen en de vloot zelve onder de orders en ter dispositie van het Hollandsch gouvernement te stellen. Uwe betrekking tot Holland geeft ons recht te hopen, dat Uw antwoord op deze aanvrage niet dubbelzinnig zal zijn". De deputatie zond per patroon Duijnker een schrijven aan den admiraal dd. 27 November, waarin zij hem hare aankomst meldde en een persoonlijk onderhoud verzocht, ten einde zich van hare opdracht te kunnen kwijten. De adjudant des admiraals, Van Son, bracht den 28en Nov. het volgende antwoord van Ver Huell: "Ik ken geen bestuur in dit land dan dat, hetwelk door Zijne Majesteit den Keijzer en Koning gevestigd is, en vinde mij derhalve niet bevoegd, om op eenigerhande wijze in onderhandeling te treden of parlementaires te ontvangen, welke eene verandering van Regeering ten onderwerp mogt hebben". De adjudant kwam persoonlijk aan boord, om te verzoeken niet verder op te zeilen, daar de vaartuigen aan de buitenposten gestationneerd, besliste bevelen ontvangen hadden het jacht in den grond te boren. De deputatie heeft dus hare zending niet mogen volbrengen. Dat men ontzag koesterde voor de standvastigheid van Ver Huell blijkt uit de volgende regels van Mooyaart aan de commissarissen-generaal te Amsterdam ".... terwijl ik ook verzoeke, dat, bijaldien wij onverhoopt mogte worden gearresteerd door den Heer Ver Huell, men de Fransche ambtenaren en officieren, waarvan er een aantal zich nog in Amsterdam bevinden, in verzekerde bewaring neme tot waarborg onzer personeele vrijheid en veiligheid. Van dit een en ander kon UED Gestr. zich verzekeren door het niet opkomen van ten minste een onzer naar verloop van drie maal 24 uren enz.".

 

Het jacht met de vaderlandsche kleuren in top was door de Hollandsche schepelingen bemerkt; op verschillende oorlogsbodems kwam het scheepsvolk onbewimpeld voor zijne nationale gevoelens uit; men schroomde zelfs niet, hier en daar oranje te dragen. Naar aanleiding der rapporten van de commandanten der schepen besloot Ver Huell op 29 November, onder voorwendsel eener inspectie, zich persoonlijk aan boord van het eskader te begeven. Op het vlaggeschip de Prins dreigde men de beeltenis van Napoleon uit de kajuit te sleepen en te vertrappen. De admiraal liet zich geen oogenblik van zijn stuk brengen en zei glimlachend: "Voor ik van boord ga, zal ik die brave lieden toespreken; ze zijn verblind en laten zich door onberaden opstokerijen meeslepen, doch in hun hart zijn ze braaf en trouw". Na eene korte rede ontblootte hij diep ontroerd 't hoofd en riep uit: "Roep mij allen na "Leve de Keizer!" Voor 't laatst weergalmde toen die kreet uit vele Hollandsche kelen boven 't eskader gevolgd door een geestdriftig "Leve de admiraal!" Daarna ontbood Ver Huell de etat-majors van alle schepen en alle onderofficieren bij zich in de voorkajuit waar zij allen hem overtuigden van hunne aanhankelijkheid aan zijn persoon.

 

 

16 November - 7 December 1813

 

Van 27-30 November was er in Den Helder veel vertier; matrozen van passen voorzien, maakten zich gereed tot vertrek terwijl andere zich gepakt en gezakt naar de forten Morland en Lasalle begaven.

 

 

Aquarel van Fort Lasalle 1814 (thans fort Erfprins)

vervaardigd door Q.M.R. Verhuell. Zie voetnoot 8.

 

Op den 27en November namelijk had de admiraal zijn hoofdkwartier gevestigd in het fort Lasalle, op dat oogenblik nog niet voltooid en onvoldoende bewapend. De ellendige barakken waren zoo goed mogelijk bewoonbaar gemaakt; de menigvuldige regens van het vergevorderde jaargetijde hadden het inwendige van 't fort in een modderpoel herschapen. Ieder, de admiraal incluis, zag zich genoodzaakt baggerlaarzen te dragen; het ellendige gebouwtje, dat hem tot verblijf diende en waarvan de planken wanden zoo goed en zoo kwaad dat ging waren gebreeuwd, bestond uit een klein slaapvertrek, een eetkamer die tevens voor ontvangsalon diende en een nauw verblijf voor den particulieren secretaris.

 

Juist een week tevoren, den 20en November, was het overschot van het 4e bataljon étrangers, die te Haarlem, Alkmaar en aan de kust in bezetting hadden gelegen, onder den overste De St. Just binnen de stelling teruggekeerd. Deze verschillende detachementen waren verplicht geweest hunne posten te verlaten; vele officieren en manschappen waren reeds overgeloopen. Dit bataljon, op den voet gevolgd door een twintigtal gendarmes uit Friesland en Holland, was ter versterking van de bezetting binnen Lasalle opgenomen. Overste De St. Just had bij zijne aankomst den admiraal een pakket overhandigd dat hem te Alkmaar was toevertrouwd door iemand, die zich afgevaardigde noemde van de Haagsche Tweemannen, met verzoek dit persoonlijk aan Ver Huell ter hand te stellen. Het bevatte een door die heeren onderteekenden brief, waarin zij den admiraal op gebiedende wijze gelastten tot hen over te gaan, onder bedreiging zoo noodig met geweld van wapenen de Fransche bezetting te verjagen. Aan dezen brief waren al de door het Algemeen Bestuur afgekondigde publicatiën toegevoegd.

 

Op den dag van terugkeer dezer troepen waren ongeregeldheden op het eskader uitgebroken; de kanonneerbooten en flotilleschoeners die onbeheerd ronddreven, liepen op de nog bemande vaartuigen en vertoonden onmiskenbare sporen van brandstichting. Op het linieschip Doggersbank deserteerde in één enkele nacht de geheele bemanning, uitgezonderd de commandant, de eerste officier, één adelborst en enkele matrozen. Het achtergebleven scheepsvolk viel slechts met dwangmiddelen in toom te houden; de weerspannigen werden buiten de barrières gezonden met verbod zich verder op 't eskader te vertoonen. Ook onder de bezetting der forten was de gisting meer en meer merkbaar geworden, waarom de Fransche troepen, mede om aan de Spaansche krijgsgevangenen ontzag in te boezemen, binnen te forten Morland en Lasalle werden geconcentreerd, terwijl door de nationale garde en de kustkanonniers de buitenposten werden betrokken.

 

Om in het gebrek aan geld te voorzien, besteedde de admiraal aanvankelijk eene som gelds - vóór de omwenteling van den marine-prefect Truguet uit Amsterdam ontvangen en vermeerderd met onder hem berustende gelden, door het eskader bijeengebracht tot aankoop van paarden na de nederlagen in den Russischen veldtocht - tot gedeeltelijke uitbetaling der soldijen. Ontbloot van verdere fondsen besloot hij den 24en November den overste De St. Just met een klein detachement uitgekozen manschappen naar Alkmaar te zenden, om zich aldaar meester te maken van de kas van den betaalmeester der 17e militaire divisie, waarin volgens stellige berichten 70.000 francs moesten berusten voor de bezetting van Den Helder. Deze hoofdofficier wist die zilvervloot behouden binnen te loodsen; in alle dorpen die hij doortrok was de Oranjevaan ontplooid en 't kostte hem veel moeite en beleid de strenge orders van den admiraal te handhaven, om alle schermutselingen tusschen soldaten en ingezetenen zooveel mogelijk te voorkomen.

 

Omstreeks 29 November vertoonde zich een Engelsch smaldeel, bestaane uit 2 linieschepen *4), een fregat en twee brikken dicht onder den wal. Zij voerden de oud-Hollandsche vlag van den grooten top met daaronder de Fransche, ten teeken dat Holland Frankrijk had overwonnen en van den kruistop de Spaansche vlag als bewijs, dat Engeland zich het lot der Spaansche krijgsgevangenen aantrok; tegen den avond verwijderden zich die schepen.

 

De fregats-kapitein De Roth en de luitenant Dillié kwamen met gedeelten der flotilles van de Zuiderzee en der kusten van Friesland op de reede ten anker. De geest onder bemanning was zóó slecht dat sommige der officieren en adelborsten reeds door het scheepsvolk waren mishandeld; de admiraal liet de schepen binnenloopen en officieren met adelborsten in Lasalle opnemen.

 

Intusschen liepen er geruchten dat de Russen en Pruisen ons land binnenrukten; officieren en schepelingen deserteerden in vaartuigen uit het Nieuwe Diep of over land onder de kogels der voorposten.

 

Onafgebroken liet de admiraal de Spaansche krijgsgevangenen voortwerken aan den staat van verdediging der stelling. De Fransche soldaten beschouwden vestingbouw en aardwerk als minderwaardigen, speciaal voor galeiboeven bestemden arbeid. Hoewel zij niet slaagden er zich aan te onttrekken, bleef toch een groot aantal personen door rang of stand van deze werkzaamheden uitgesloten. Deze, de officieren inbegrepen, werden door Ver Huell vereenigd tot een corps d'élite, dat hij met geweer deed oefenen. Een Fransch chirurgijn-majoor begon op zekeren dag dat geëxcerceer te vervelen; hij verklaarde ronduit zich meer geroepen te voelen wonden te heelen, dan ze te maken, waarom hij ontslag verzocht uit 't keurkorps. Streng antwoordde de admiraal hierop: "Ik ben groot-officier van 't Keizerrijk, en als het er op aan mocht komen, zal ik een der eersten zijn om den Franschen naam met eere te verdedigen en het geweer op te vatten. Ik heb me in U bedrogen; ge zijt onwaardig langer lid van dit korps te zijn". Hij gelastte den overste De St. Just den chirurgijn-majoor van zijnen rang te casseeren en aan te teekenen in 't stamboek als gewoon soldaat. Te vergeefs poogden de overste en de chef van den geneeskundigen dienst op het eskader, Sper, ten bate van dezen "lijntrekker" genade voor recht te doen gelden; de admiraal bleef onvermurwbaar.

 

Den 30en November deden berichten de ronde dat de Kozakken tot Alkmaar waren voortgerukt en enkele zich reeds in 't Zand bevonden. De admiraal liet de post aan de Groote Keet, uit de bemanning der brik le Génie bestaande en belast met de afsluiting der stelling aan de landzijde, terugtrekken. Het detachement voerde enkele gestolen schapen en koeien binnen de stelling mee, die echter later aan de eigenaars zijn vergoed.

 

Op den 2en December bezetten de Kozakken de Groote Keet, op twee uur gaans van de Fransche voorposten gelegen. De wacht aan de barrière bleek 's ochtends overgeloopen. Op dien datum, herdenkdag van de kroning der Keizers, was 't verre van rustig in Den Helder. Men vreesde de nadering der Kozakken waarom de admiraal het geschut van Lasalle en dat der schepen op de gebouwen van het dorp deed richten. Bij gebrek aan bezettingstroepen als gevolg van desertie en pasporteering, werd tevens bevolen, de forten l'Ecluse en Dufalga te doen ontruimen en slechten *5).

 

Dienzelfden dag bereikte den admiraal eene sommatie van den prins van Oranje, gedateerd op 1 December, luidende: "Wij Willem Frederik, bij de gratie Gods Prinse van Oranje en Nassau ----- sommeeren den Commandant van Den Helder, om zich met de schepen en manschappen, onder zijn commando staande onmiddellijk over te geven aan de Hollandsche Natie, die Wij op dit oogenblik het geluk hebben te representeeren, en daar Wij niet vorderen dan hetgeen Haar wettig eigendom is, maken wij staat op eene prompte voldoening, stellende Wij Hem, Commandant verantwoordelijk aan God en het Vaderland".

 

Hierop antwoordde de admiraal, zijnen krijgsraad gehoord, den 3en December:

 

"Hoogheid,

de strijdkrachten, die ik de eer heb te commanderen, zijn aan mij toevertrouwd door Zijne Majesteit, de Keizer van Frankrijk. De middelen, die ik tot mijn bezit heb, zijn meer dan alleen het respecteren van de vlag, die nog steeds wappert op mijn schip, voor een gehele eenheid. Mijn plicht schrijft me voor, evenals alle moedigen (dapperen), die onder mijn bevel staan, om ons tot het extreme (einde) te handhaven.

Ik beheers het Fort Central van Helder, het Eskader en alle naburige werken en wanneer Uwe Hoogheid belang hecht aan het behouden van de vloot en dit maritiem punt, hetgeen erg belangrijk is voor Holland, is het van belang dit punt niet aan te vallen en het doen respecteren van de grenzen van Helder, omdat de gebeurtenissen van de oorlog zelf hun lot bepalen. De heilige wetten van mijn eer dragen me op tot verdediging".

 

Den 4en December verzond Ver Huell een soortgelijk schrijven aan den "général commandant les troupes Russes dans la Nord-Hollande". Deze missive kwam in handen van den luitenant Bezemer die zich waarschijnlijk in 't Zand bevond en haar doorzond aan den schout bij nacht Verdooren te Amsterdam.

 

Op voorstel van Ver Huell had de krijgsraad besloten de natuurlijke zucht naar vrijheid der Spaansche krijgsgevangenen niet langer op de proef te stellen. Te midden der woelingen, onder zware vermoeienissen en groote verleidingen, hadden deze flinke soldaten nimmer reden tot klagen gegeven. Elke poging hen tot verzet te verleiden was afgestuit op hunnen hooghartigen Andalusischen trots. Den 4en December vertrokken zij, nadat de admiraal persoonlijk hun zijne hooge tevredenheid had betuigd over hun voorbeeldig gedrag en hechte trouw. Ten onrechte werd deze invrijheidstelling toegeschreven aan de nadering der Kozakken.

 

Den 6en December werd in Den Helder het nieuws bekend van de overrompeling der Franschen op Texel. Dien nacht bezetten de Kozakken de Kleine Keet, doch trokken 's ochtends op Groote Keet terug.

Gerrit Verdooren van Asperen (Bergen op Zoom 6,7 of 9 februari 1757 - Oost-Souburg 30 oktober 1824).

Verdooren was op 12 december 1810 door Napoleon I tot "Contre-amiral" van de Franse vloot en "Chef-militaire" van het maritieme arrondissement van Amsterdam aangesteld.

 

Ver Huell deed daarop den post aan 't Weeshuis versterken en eene andere met 2 stukken geschut op den dijk van 't Nieuwe Diep plaatsen. Ingekomen berichten wezen namelijk op eene poging uit Holland, zich bij verrassing van het onbemande eskader meester te maken.

Toen bleek, dat zelfs met verzwaarde lading de mortieren op de flanken van Lasalle de vloot in 't Nieuwe Diep niet konden bestrijken, liet de admiraal onder den overste De Foucauld mortieren van ander type en wijder dracht uit Morland naar Lasalle overbrengen. De proeven op 9 December hiermede genomen loonden alleszins deze zware en moeilijke manoeuvre; de bommen bleken over Dugommier en het eskader den Zuidwal te bestrijken, waardoor de vloot uit Lasalle kon worden beschermd of vernield.

 

7 December 1813-4 Mei 1814

 

Op den 6en December 1813 ontving de generaal-majoor Cornelis François De Jonge namens den prins van oranje bevel van den fungeerenden commissaris-generaal van oorlog, L. graaf Van Limburg Stirum, zich onverwijld naar Alkmaar te begeven, aldaar zijn hoofdkwartier te vestigen, Den Helder ten strengste te bewaken en de herhaalde strooperijen van het garnizoen tegen te gaan. Den 7en December kwam de generaal te Alkmaar aan, en bracht later op 23 Januari 1814 zijn hoofdkwartier over naar 't Zand. Op den 9en December rapporteert hij o.m. dat hij te Alkmaar slechts 50 nationale gardes aantrof die 6 bruikbare geweren bezaten; buiten den kortelings bijeengeraapten landstorm vond hij daar overigens niet anders dan een honderdtal Ukrainer Kozakken, waarvan een 25tal onder den luitenant A. Bezemer zich op de voorposten tegen Den Helder en de rest zich te Alkmaar bevonden. Behalve de Kozakken in 't Zand, Oudesluis en Groote Keet beschikte hij over 30 landlieden tot bestrijding der strooperijen. Een aanvraag om ruiterij en geschut bleef aanvankelijk zonder gevolg, waarop de generaal voorlopig eene cavalerie improviseerde uit vrijwilligers en manschappen van den landstorm. Deze zgn. landkozakken waren niet anders dan boeren te paard, in boerenkleedij, met sporen aan de laarzen en een muts van vossenvel op het hoofd, waarvan de staarten koddig naar achteren afhingen; hunne bewapening bestond uit boonenstaken met een spijker erop bevestigd. Wat de artillerie betreft kreeg de generaal eerst 8 Februari 1814 de beschikking over twee veldstukken, afkomstig van de gewapende burgermacht te Purmerend en 2 ijzeren 12-ponders der zee-artillerie uit Medemblik; in verwaarloosden staat gevonden, werden ze te Alkmaar in eenigszins bruikbaren toestand gebracht en aan de voorposten geplaatst.

 

Op 1 Januari 1814 bestonden de Nederlandsche troepen in Noord-Holland uit: 2 kapiteins, 1 officier, 6 onderofficieren, 2 tamboers en 139 korporaals en soldaten van het 15e bataljon infanterie van linie; 2 officieren met 48 korporaals en soldaten van het 1e regiment infanterie van linie; 3 officieren, 2 onderofficieren en 102 Russische Kozakken; 1 officier, 2 onderofficieren 28 kustkanonniers en 2 onderofficieren met 12 jagers van het voormalige Fransche regiment étrangers.

 

Het commando van generaal De Jonge over Noord-Holland werd den 17en Januari veranderd in dat over het 2e militaire arrondissement, van het 1e arrondissement gescheiden door de lijn Beverwijk-Wijk aan Zee.

 

Omstreeks 20 Januari 1814 waren de voorposten aan Groote Keet, 't Zand, Calantsoog, Oudesluis enz. bezet door: 164 man infanterie uit het depôt der algemeene werving van Noord-Holland, 41 man voormalige nationale gardes uit Alkmaar en Hoorn, 71 gewapende landlieden, 38 landkozakken te paard, 6 bereden ordonnansen tot het onderhouden der gemeenschap en 64 landlieden met stokken en hooivorken gewapend.

 

Een sterk staaltje van de onschadelijkheid dezer troepenmacht geeft het volgende voorval: Op een der wandelritten in den omtrek van het fort Lasalle reed Ver Huell in Januari 1814 het verlaten fort l'Ecluse binnen waar hij plotseling op eene bende potsierlijk toegetakelde landkozakken stiet. Zijn staf had reeds het zwaard ter verdediging ontbloot, wat weldra overbodig bleek toen de gevreesde horde den admiraal beleefd groette. Deze reed zonder zich een oogenblik te bedenken op hen af, sprak hen vriendelijk toe en vertrok ongemoeid, glimlachend opmerkend: "Waar laten die goeie menschen zich al niet voor gebruiken"!

 

Mochten gestadige oefening en uitbreiding zijner troepenmacht generaal De Jonge allengs, hoewel met moeite, in staat stellen eene blokkade vol te houden en de vijandelijke strooperijen tegen te gaan, toch maakten eenerzijds het besef der noodzakelijkheid, om het kostbaar eskader in 't Nieuwe Diep ongeschonden onder Nederlandsche vlag te brengen, anderzijds het gebrek aan materieel, de onkunde en ongeoefendheid van meerderen en minderen, met het bewustzijn, dat de regeering in Den Haag den uitslag zijner pogingen ongeduldig verbeidde, zijne opdracht tot een der ondankbaarste, die men zich denken kan.

 

Den 9en December ontving de admiraal eene tweede opeisching, nu van den Souvereinen Vorst, gedateerd 7 December, waarin deze te kennen gaf, dat het antwoord op de eerste sommatie in geenendeele aan zijne verwachting had beantwoord en weinig strookte met de situatie waarin Ver Huell zich bevond, welke de S.V. ieder oogenblik hachelijker vermocht te maken door zijne troepen tegen Den Helder te doen oprukken. "Gij hebt genoeg gedaan voor Uw eer als krijgsman en voor Uwe vermeende verplichtingen als onderdaan van den Franschen Keizer. Zijne troupes trekken gestadig verder af en denken niet meer om de vloot en het fort Lasalle... Het is nu nog tijd eene capitulatie te sluiten op goede termen; later zijn er geen andere mogelijk dan krijgsgevangenschap en vervoering naar verre gewesten. Maar gelief steeds voor oogen te houden, dat welke ook Uwe beslissing zijn moge, Gij mij met Uw hoofd verantwoordelijk zijt voor het behoud der Hollandsche schepen, die zich momenteel onder Uw bereik bevinden". Hierop antwoordde de admiraal dd. 11 December:

 

"Vele honderd duizenden ponden kruit bevinden zich aan boord van de oorlogschepen; het geheel van dit te ontwapenen is ....

In de haven bevind zich een magazijn, dat geheel is gevuld. Eén vonk kan dit geheel in brand zetten en ik vergiet tranen kijkend naar het heengaan van het eskader dat me zo lief is als de zwakke resten van de voormalige Hollandse Marine en de grote werken, die met behulp van God, wat het lot van de oorlog bepaald en aan wie ik me zal onderwerpen, ik ondergaan geen glorie met alle dapperen, die me omringen.

Ik ben niet beducht voor enige aanval op de kust, op zee, nog op het land. Ik heb ieder weggezonden die me kon verraden. Men heeft mijn bemanningen ontslagen op een wrede manier voor een aanvoeder die altijd sterk doordrongen was van de eer van zijn natie land. Hetzelfde geldt voor de officieren, die de vlag hebben verlaten. Ik beschouw hen als lafhartig en ik verwacht dat Uwe Hoogheid hen zal vervolgen op rang of zijn willen zich onderwerpen; op zulke mannen kan men zeker niet onder alle omstandigheden rekenen. Zij zijn verlaagd in meerderheid tot het surveilleren van de schepen ..... geheel Frankrijk heeft de ogen gericht op de handelswijze van haar generaals en ik zal nooit mijn naam verdoezelen en die van de Hollandse Natie daar dit ontrouw en meinedig is aan mijn geloften.

Ik verlang, dat de voorposten van de Russen niet het punt voorbijgaan van de linie van Grote Keet, teneinde te voorzien in mijn bevelen geheel de grenzen van Helder, en het op afstand houden Vloot om tegen te gaan alle gevaren die haar veiligheid compromitteren. Al mijn geloften dragende in het zicht van verlossing."

 

Uit dit antwoord blijkt tevens des admiraals oordeel over het prinselijk decreet, speciaal gericht tegen de zeeofficieren van het Texelsch eskader, waarin allen, die nog in Franschen dienst waren, werden opgeroepen terug te keeren, onder bedreiging met uitsluiting buiten 't georganiseerde korps zeeofficieren.

 

Op den 9en December deed de S.V. eene derde poging om den admiraal tot overgave te bewegen, door den commissaris-generaal van marine Van der Hoop in persoon naar 't Zand te zenden. Op diens aan Ver Huell gericht schrijven antwoordde deze dd. 14 December:

 

"Mon unique désir se porte à conserver ces objets d'une si grande valeur pour la Hollande, dans quelle circonstance que ce soit. Si on veut les exposer aux chances d'une attaque, les lois les plus sacrées du devoir et de l'honneur imposent de les défendre jusqu' à l'extrémité contre toute agression hostile et les suites infaillibles seront la destruction totale de tout. Aucun des chefs du Fort Lasalle se fait une illusion de se casrifier avec tout le reste. La Hollande n'y gagnera rien, que d'avoir fait périr quelques braves guerriers qui ont été jusqu'au dernier instant fidèles à leur prince et l'honneur. Et elle gagnera tout en accordant ma demade. Peut-être le seul et unique moyen de parvenir dans leur possession est que des troupes étrangères n'occupent pas ces formidables travaux. Avant de consentir à cela il n'en restera qu'un morceau de terre et des débris de ruines. Le commerce de la Hollande serait encore plus enchainé que jamais, parce que les Etrangers en feraient toujours les lois. Elle n'en sera pas maîtraisse. De sorte la Raison et l'intérêt du prince même de la Hollande sont tour pour moi. Dans trois mois de temps ce sera définitivement décidé, si ce Pays peut conserver son indépendance".

 

In een particulieren brief dd. 14 December aan Van der Hoop uit de admiraal zich geheel op gelijkluidende wijze. Echter toont hij zich in dit schrijven geneigd tot onderhandeling over eenen wapenstilstand voor drie maanden en geeft zijne vrees voor Engelsche interventie aldus te kennen: "Zo de Engelschen er zich eenmaal inwerpen, zal het niet in de vermogens van den Prins zijn, om dezelve er weder uit te drijven, en de Dependentie van het Land zal slechts van naam verwisseld hebben". Van der Hoop zond dit voorstel aan den S.V. ter beslissing toe.

 

Op den 11en Dec. liet een officier zich tegen de bevelen des admiraals verleiden tot eene schermutseling met de voorposten waarbij van beide zijden manschappen sneuvelden; de admiraal strafte dien officier met streng arrest.

 

Tijdens het verblijf van Van der Hoop in 't Zand, werd bovendien den 13en December den secretaris-generaal der marine May gelast, "zich onverwijld naar 't Zand te begeven tot het houden eener conferentie met HH. Gedeputeerden uit het Gemeentebestuur van Den Helder om zoo mogelijk de capitulatie dier plaats te bevorderen". *6) Ook hij schijnt onverrichterzake teruggekeerd te zijn.

  

Den 18en December drong eene bende Kozakken het fort Dugommier binnen, slechts bewaakt door eenen enkelen magazijnmeester, die in eene hem onbekende taal werd bedreigd. De magazijnen werden doorzocht en eenige onbelangijke dingen meegenomen. Ver Huell liet daarop het fort bezetten door 20 man onder een officier en een adelborst. Een boer uit Huisduinen had den vijand de doorwaardbare plaatsen in de fortgracht, die slechts weinigen bekend waren, gewezen. Toen de verrader, trillend van angst en met den dood voor oogen, voor den admiraal werd gebracht, schonk deze hem het leven op de bede van een oud moedertje, dat knielend om genade smeekte voor haar eenig kind.

 

Op 20 December ankerde een Engelsch fregat dicht onder de kust. Eenige officieren verkenden op de duinen 't fort Lasalle, doch werden door mortiervuur verdreven. Onder het lossen van enkele schoten koos het fregat weder zee.

 

Dienzelfden dag (20 Dec.) richtte kapitein ter zee Rijsterborgh, mede namens zijne collega's Siccama, Frederiks, Cambier en Coertzen, een schrijven aan den S.V. houdende copie van een verzoek dd. 17 Dec. aan Ver Huell, om "schriftelijk te onzer kennis te willen brengen de verzekering, welke dezelve ons meermalen gedaan heeft, namentlijk ons verbeijden alhier op de voorgeschreven voet en wijze, als bij den Heer Prince van Oranje niet dan ten goede geduid zal worden". Hij verzekerde den S.V. "dat zij alleen blijven om de schepen voor roof, plundering en andere ongelukken te bewaren, het getal manschappen, zich aan boord bevindende, is zeer gering en het is te voorzien, dat de resteerende spoedig het voorbeeld der subalterne officieren zullen volgen, die meestal zijn vertrokken, niettegenstaande de admiraal ons verzekert heeft niet tot de defensie meer behoorde en dus van dien kant gewaarborgd waren". De brief werd geschreven ingevolge de oproeping van den commissaris-generaal tot dienstneming der Hollandsche zeeofficieren.

 

Den 19en December berichtte Van der Hoop den stelling-commandant, dat de S.V. genegen was over eenen wapenstilstand te onderhandelen, waarop Ver Huell de luitenant-kolonels Francke, chef van den marinestaf, en De Foucauld, commandant der genie tot afgevaardigden benoemde; tot plaats van samenkomst koos hij Groote Keet. Deze beslissing werd door Van der Hoop den 23en December aan den S.V. gerapporteerd. Niettegenstaande de admiraal had verzocht de voorposten der Kozakken op 't Zand terug te trekken en zich wederkeerig had verbonden, de bezetting achter de lijn van verdediging te houden, stak eene bende Kozakken in den nacht van 21-22 December het weeshuis in brand. Dit gesticht, bestemd voor 150 kinderen, die reeds bij de ingezetenen waren ondergebracht, werd geheel in de asch gelegd. Met lichtkogels uit Lasalle ontdekt, werden de brandstichters door geschutvuur verdreven.

 

Den 27en December kwamen de Nederlandsche afgevaardigden, de schout bij nacht May en de onder-equipagemeester der marine Moyaart in 't Zand aan. Alle verdere onderhandelingen over een wapenstilstand stuitten echter af op den beslisten eisch van den Souvereinen Vorst, stelling en eskader op een bepaald tijdstip over te geven.

 

Gedurende de lange winteravonden werd in Lasalle 't nuttige met 't aangename gepaard: in de admiraalsbarak vonden nu en dan muziekavondjes plaats, opgeluisterd door de in 't fort aanwezige dames.

 

Den 2en Januari greep aan de voorposten eene ernstige schermutseling plaats, waarbij de Franschen 8 dooden en 13 krijgsgevangenen verloren, terwijl aan Nederlandsche zijde 2 Kozakken zwaar en 2 licht werden gewond, *7)

 

Omstreeks 4 Januari werd de commandant der korvet Venus, de fregats-kapitein Cambier, zóó ernstig ongesteld dat noodig werd geoordeeld den patient naar Amsterdam te vervoeren. Daar de aanwezigheid des vijands zulks over land onmogelijk maakte, wilde men trachten het vervoer per boot te doen geschieden.

 

De luitenant Bronovo werd door den admiraal naar den maire Reinbach te Texel gezonden, om te trachten aldaar een voor dit doel geschikt vaartuig te bekomen, hetwelk in Den Helder niet te verkrijgen was. De maire aarzelde geen oogenblik, aan het verzoek te voldoen en de kolonel der gewapende burgerij gaf daartoe dadelijk de noodige bevelen. Een gedeelte der officieren echter weigerde te gehoorzamen, wilde den parlementair arresteeren en de zending van het bedoelde vaartuig verhinderen. Na langer dan een dag oponthoud en hevigen tegenstand werd niettemin aan het bevel van den maire gevolg gegeven.

 

De weinige Nederlanders, die vrijwillig in Lasalle waren achtergebleven kregen, zoo zij dit wenschten, vergunning om te vertrekken; de eenigen die vastbesloten het lot van den admiraal wenschten te deelen, waren de drie officieren van zijnen staf: Francke, Van Son en Rijk, de adspirant Van Karnebeek en zijne beide neven Ver Huell, van wien de een zijn particulier secretaris was en de andere fregats-kapitein op het linieschip Doggersbank. *8)

  

Bij de heerschende felle vorst drukte de afmattende bewakingsdienst even zwaar op belegerden als op belegeraars, welke laatsten, schamel gekleed, over geen andere dekking dan eenig hooi, beschikten. De admiraal spoorde alom door zijn persoonlijke tegenwoordigheid tot ijverige plichtsbetrachting aan; midden in den nacht bezocht hij vaak de bastions, waar hij zoo noodig de betrokken officieren ontbood om hunne stukken van sneeuw te doen reinigen. Nauwelijks waren de grachten om Lasalle verstijfd of er werd gelast het ijs te breken. In weerwil van vermaningen en bedreigingen waagde de bezetting zich echter niet op de dunne korst. Toen besloot Ver Huell zelf het voorbeeld te geven; hij waagde zich echter op eene te zwakke plaats en zakte door 't ijs. Gelukkig bijtijds gered, weigerde hij heen te gaan voor met 't werk was begonnen en wachtte doornat, rillend van koude, de uitwerking van zijn voorbeeld af. Onder de kreten: "Vive l'amiral" toog de bezetting aan den arbeid. Na dien tijd werd nimmer taptoe geslagen voordat, met behulp van boeren uit den omtrek, eene ijsvrije geul van 20 voet breed het geheele fort omringde. Nijpend drukte de barre winter op de bewoners van Den Helder en Huisduinen, waardoor de heerschende omstandigheden de welvaart in armoede was verkeerd. Naast voorbeeldig commandant toonde Ver Huell zich toen een weldoener in nood, door de armen ruimschoots van levensmiddelen uit den voorraad op 't eskader te voorzien. Tengevolge van uitputting door vermoeienis en zelfverllochening overviel den admiraal in Januari eene ernstige ongesteldheid; groot was de bezorgheid van bezetting en burgerij over zijn toestand en uitbundig hunne geestdrift, toen hij zich weer voor 't eerst in 't openbaar vertoonde.

 

23 Januari werd door de voorposten een man aangehouden en voor den admiraal gevoerd, die voorgaf inwoner van Den Helder te zijn. Hij berichtte dat de vreemde troepen Noord-Holland hadden ontruimd en dat de blokkade uitsluitend aan Nederlanders was overgelaten, wier toestand hij hoogst ongunstig afschilderde. *9) De Fransche bezetting, hierdoor begeerig geworden den vijand te overrompelen, toonde geen vijandelijkheden te plegen.

 

1 Februari stierf de commandant van Morland, overste Harel, die met militaire eer in 't bastion Huisduinen van Lasalle werd begraven; hij werd vervangen door den commandant van Dugommier , overste Fermund, die op zijn beurt werd opgevolgd door den kapitein der infanterie Targes.

 

In den morgen van 9 Februari werd bij hevigen noordwester-storm een schip in nood ontdekt op de Noorder-Haaks. De admiraal zond een schokker tot redding in zee onder zijn adjudant Rijk. Eene kaag onder J. Giltjes en Laurens Giltjes eveneens met voorkennis van Ver Huell tot redding uitgevaren, werd ten gevolge van een verzuim bij overgeving der bevelen door een der batterijen beschoten, gelukkig zonder nadeelige gevolgen. Twee Texelsche loodskotters mochten ten slotte er in slagen de schipbreukelingen op hun eiland aan wal te brengen. *10)

Enkele Texelsche schepen, eveneens ter redding uitgegaan, waren naar 't Nieuwe Diep afgedreven. Toen de admiraal van de bemanning vernam dat op het eiland gebrek aan voedsel heerschte, gelastte hij direct, aan de kaag levensmiddelen mede te geven - dit was zijn wraak jegens hen, die de Oranjevaan op hun eiland hadden geplant!

 

Op den 8en Februari gelastte de Souvereine Vorst den generaal De Jonge andermaal eene poging tot overgave der stelling te beproeven. Werd bij de onderhandelingen van 27 December aan de bezetting vergund in transportschepen naar Frankrijk terug te keeren, thans luidde de eisch onverkort: "In alle conditiën welke gij zoudt kunnen voorslaan, is de eerste bedinging, dat het garnizoen krijgsgevangenen in Holland moet blijven". De admiraal antwoordde hierop den 10en Februari, dat hoezeer onvoldoende ingelicht omtrent alle gebeurtenissen, die op politiek gebied en op 't oorlogstoonel plaatsgrepen, hij zijn eigen toestand als onveranderd beschouwde en met gelatenheid het lot afwachtte, dat de krijg hem had beschoren.

 

Bij verzoekschrift aan den Souvereinen Vorst dd. 10 Februari boden een 20-tal schippers uit Amsterdam zich aan "om het Fort aan Den Helder met deszelfs Vloot uit de Fransche hunne klauwen te rukken, hebbende vele jaren met onze schepen op die stroome gevaren, waardoor wij met de ligging van deszelfs vloot bekend zijn". De Vorst dankte hen voor dit vaderlandslievend en stoutmoedig aanbod en beloofde hiervan gaarne gebruik te zullen maken als de omstandigheden hem hiertoe mochten noodzaken.

 

Den 14en Februari vergunde de admiraal aan eene deputatie van Texel zich binnenslands te begeven, om de Nederlandsche regeering in kennis te stellen van den toestand op hun eiland.

 

Verstoken van alle officieele berichten, besloot Ver Huell ten slotte door zijn adjudant, den luitenant Rijk, te doen beproeven een der Fransche havens te bereiken om vandaar verder naar Parijs te reizen, de Fransche regeering omtrent de omstandigheden der stelling in te lichten en machtiging te vragen tot ontruiming als de heerschende toestand zich mocht bestendigen. 13 Februari vertrok Rijk, als visscher vermomd, met twee visschers in eene boot van slechts 24 voet lengte uit Den Helder. Dwars door de Engelse kruisers wist hij met groot beleid en onversaagde stoutmoedigheid Boulogne te bereiken en op gelijke wijze van daar den 25en Maart in Den Helder terug te keeren, gesierd met het kruis van 't legioen van eer, hem door Napoleon geschonken. Hoe geheim zijne zending ook was voorbereid, ras was zij alom bekend. Generaal De Jonge waarschuwde den commandant van het Engelsche eskader ter hoogte van Egmond (captain Sam G. Pechell) tegen den terugkeer van Ver Huell's adjudant met, naar de geruchten luidden, versterkingen uit Frankrijk. Rijk wist de waakzaamheid der Engelschen echter te verschalken en bezat zelfs de vermetelheid hunne positie te verkennen, door persoonlijk aan boord der Britsche schepen visch te verkoopen. De Keizer beval Ver Huell de vloot geenszins te vernietigen en de verdediging nog zes weken te rekken, daar hij dan zou worden ontzet. Groote lof werd den admiraal uit Frankrijk toegezwaaid over zijne standvastigheid; de Fransche bulletins gewaagden van zegepraal der Grande Armée, wat Ver Huell ter goeder trouw moest gelooven en op bevel van den minister van marine Decrès moest salueeren met 101 schoten, ten teeken dat Napoleon met zijn heirscharen nog geenszins was bezweken. De reden dezer kanonnade met eene kleurrijke schildering van Rijk's avontuurlijken tocht werden door den maire A. baron Van Westerholt den 25en Maart aan den generaal De Jonge bericht.

 

14 Febuari werd op last van De Jonge uit het verlaten fort Dufalga al het materiaal, benoodigd voor den bouw eener batterij aan de Groote Keet, met 8 wagens zonder eenig beletsel weggehaald. Daar de belegeraars zich geschikt in dit onvoldoend vernielde fort konden nestelen, beval de admiraal op 22 Februari dit werk gedurende den nacht te slechten. De overste De St. Just kreeg de opdracht het detachement, met de slechting belast te dekken door eene demonstratie in de richting der vijandelijke voorposten. Om 4 uur 's ochtends keerde hij terug zonder een schot te hebben gelost; het fort Dufalga was vernield.

 

22 maart viel eindelijk de dooi in na eene aanhoudende vorst sinds 15 Februari. Naar aanleiding der verontrustende praatjes, die in Den Helder de ronde deden, (de admiraal zou met de bezetting der fregatten Meuse en Issel de stelling verlaten, de vloot verbranden e.d.) begaf zich op 23 Maart eene deputatie, bestaande uit den maire Van Westerholt met den baljuw Van Herwerden en den predikant De Koning naar Lassale, waar Ver Huell hen spoedig gerust stelde.

 

Daar het beleg nog zes weken moest worden gerekt, werd eene inspectie over de levensmiddelen gelast onder den commissaris-ordonnateur der marine De Prigny. Dit onderzoek wees niet alleen een diefstal van 28 vaten vivres uit, welke in Den Helder werden ontdekt en in beslag genomen, doch tevens bleek het gezouten vleesch en spek, voor Lasalle bestemd, bedorven. Er waren nog voor vier maanden levensmiddelen voorradig, als het gewone ration werd gehandhaafd, en voor vijf maanden als dit werd verminderd. Het eenige water in den grooten regenbak van 't fort bleek met zoutwater verontreinigd en ondrinkbaar; het grachtwater aan de zijde van Huisduinen werd nu onderzocht en bij filtratie geschikt gevonden voor koken der spijzen. Ver Huell gaf zelf weer het goede voorbeeld door nooit anders dan dit water aan zijne tafel te gebruiken; een groot aantal watervaten, gevuld met putwater uit Huisduinen, werden naar Lasalle overgebracht.

 

Op uitnoodiging van het ministerie van marine verzocht de maire den admiraal den 10en Maart het kustvuur op het Kijkduin te mogen ontsteken, wat onder bepaald voorbehoud werd toegestaan. *11)

 

De gelden, door den overste De St. Just te Alkmaar gelicht, waren evenzeer uitgeput als de leening van 20.000 francs, die de admiraal den 7en Januari had uitgeschreven onder de bewoners van Den Helder en Huisduinen in wissels op de Fransche ministeries van oorlog en marine, waarvoor hij zijne eigen middelen had borg gesteld; zij was bij gebrek aan vrijwillige inteekening den 13en Januari verplichtend onder bepaalde ingezetenen omgeslagen en werd later geheel afgelost. Een cijferbrief van den commandant van het berende Naarden, dd. 22 Maart bij de vijandelijke voorposten gevonden op een spion Muller, toont hoe zorgvol de toestand der geldmiddelen binnen Lasalle was.

 

Den 7en April zond generaal De Jonge andermaal een parlementair naar de voorposten met eene hernieuwde opeisching. Hij schilderde den zegevierenden opmarsch der Verbondenen naar Parijs en de ellende van verdere voortzetting der blokkade voor bezetting en burgerij. De eisch van krijgsgevangenschap der geheele bezetting deed echter den 8en April Ver Huell antwoorden

"de voorkeur te geven aan de ontberingen van een bezetting - waarbij ik over alle middelen beschik om me te kunnen verdedigen - dan me te onderwerpen aan voorwaarden, waarvan de strekking mij geheel onbekend is."

 

Schril staken de sombere berichten van den generaal De Jonge af tegen de heugelijke tijdingen uit Frankrijk, die met kanongebulder waren begroet. Op den 8en April gelastte de Souvereine Vorst den generaal De Jonge om den admiraal Ver Huell in kennis te stellen met de declaratie van 31 Maart 1814, door Alexander den keizer aller Russen namens de Bondgenooten uitgevaardigd aan de Parijzenars. Daar Lodewijk XVIII was uitgeroepen tot koning van Frankrijk, werd "den admiraal en zijn garnizoen voorgeslagen met hunne bagagie naar hun Vaderlandt te retourneren, op voorwaarde, dat zij de zaak van hunnen nu weder herstelden wettigen Souverein zullen dienen". Hierop antwoordde Ver Huell den 11en April:

"De Prins, Uw bevelhebber, kan niet de bedoeling hebben gehad dappere militairen te vernederen..... Hij moet er van zijn doordrongen, dat er voor een soldaat geen schandelijker misdaad bestaat dan zijn Vorst te verraden, een held, die hen naar meer dan honderd overwinningen heeft geleid. De Garnizoenen van het Fort du Helder zouden zulke misdadigers zijn, als ze akkoord gingen met dit voorstel."

 

Intusschen had de S.V. den generaal bevolen, de aangeknoopte onderhandelingen met kracht voort te zetten en ingeval de admiraal bleef wiegeren de gestelde voorwaarden aan te nemen, hem bovendien te veroorloven, wapenen en paarden volgens het effectief getal der troupes met twee gemonteerde veldstukken mede te voeren. Zoodoende kwam de generaal den 12en April andermaal op zijne voorstellen terug, waarop Ver Huell den volgende dag in veel gematigder termen dan den 11en antwoordde.

 

Vooral na aankomst van zijn broeder Alexander, burgemeester van Doetinchem, met berichten van buiten, genoegzaam overtuigd dat het oogenblik van onderhandelen was gekomen, stelde Ver Huell den generaal nu voor, twee hoofdofficieren af te vaardigen ter opheldering van nog twijfelachtige punten, die zich beter mondeling dan schriftelijk lieten behandelen. Tevens schijnt hij op dien datum Z.K.H. te hebben verzocht een vertrouwd officier naar Parijs te mogen zenden, waartegen echter volgens schrijven dd. 23 April van den commissaris-generaal van oorlog aan den generaal De Jonge bezwaren bij den Souvereinen Vorst bestonden.

 

Schriftelijk den 24en April aan den schout bij nacht May, en mondeling aan Van Westerholt uitte Ver Huell den wensch, den S.V. persoonlijk te kunnen spreken. Twee brieven van den maire dd. 13 April, van welke de laatste de toestemming des admiraals tot vrije vaart door 't Texelsche zeegat introk, die bij den eersten eenige uren te voren was verleend, toonden hoe weinig de krijgsraad de zienswijze van den stellingcommandant deelde.

 

De onderhandelingen.

(15 April - 3 Mei 1814).

 

Den 15en April werden in 't Zand de onderhandelingen geopend tusschen de luitenant-kolonels Francke en De Foucauld aan Fransche en den generaal De Jonge, bijgestaan door den schout bij nacht May en den kolonel Norman Mac-Leod, commandant van het 15e bataljon infanterie van linie, aan Nederlandsche zijde. De bezetting toonde zich tegen alle verwachting bereid Lodewijk XVIII als koning van Frankrijk te erkennen, doch verlangde harerzijds 1e een voorschot van f 120.000 tot betaling der achterstallige soldijen, en 2e nadere toestemming ter capitulatie door de nieuwe Fransche regeering. Ten teeken der openstelling van de vrije vaart zou, na machtiging door het nieuwe Fransche gouvernement, eene witte vlag op het Kijkduin worden geheschen.

 

Bij resolutie dd. 16 April werd de commissaris-generaal van financiën gemachtigd, de gevraagde som ter beschikking van den generaal te stellen, aan wiens beleid verder werd overgelaten hiervan een zoo zuinig mogelijk gebruik te maken. De S.V. verlangde zijnerzijds de sluiting eener gehoorlijke overeenkomst, waarbij binnen den korst mogelijken tijd de overgave van vloot, forten en toebehooren zou worden geregeld. Van de vergunning des generaals tot aanvoer van ververschingen voor zieken en verlichting der briefwisseling met 't binnenland werd weldra schromelijk misbruik gemaakt, wat tot rechtmatige klachten van Nederlandsche zijde bij Ver Huell leidde. Voorlopig bleef op last van den commissaris-generaal van oorlog J.H. Mollerus de blokkade gehandhaafd. De kapitein-luitenant ter zee Noy werd door generaal De Jonge met instructiën op Texel gedirigeerd om approviandeering der stelling van deze zijde te beletten, daar men in Amsterdam tal van vaartuigen met voorraden gereed maakte, meenende dat de overgave der stelling reeds eene beklonken zaak was. De voortzetting der blokkade gaf echter tot onrust onder de bezetting van Den Helder aanleiding, waarom Ver Huell ter afleiding deed voortwerken aan de fortificatiën en o.a. munitie op de bastions bomvrij liet opstellen.

 

Niettegenstaande de admiraal nog den 15en April op het aanbod van den commissaris-generaal Mollerus: "een vertrouwd officier naar den Haag te zenden om zich aldaar te overtuigen der plaats gegrepen gebeurtenissen" had geantwoord:

"Ik acht het onnodig iemand naar den Haag te zenden, ik twijfel er opnieuw niet aan, dat SAR hiervan officieël op de hoogte is",

 

werd op aandringen van den krijgsraad de commissaris-ordonnateur De Prigny hiermede belast; deze keerde den 20en April terug met bevestiging der voor de Franschen meest sombere berichten. Op den 21en April werd daarop onder saluut van 21 schoten de Fransche driekleur verwisseld tegen de witte vlag der Bourbons *12) en de witte kokarde in 't fort op de hoeden geplaatst. De admiraal schilderde in eene treffende redevoering de gebeurtenissen, die tot deze verandering hadden geleid. Twee Fransche hoofdofficieren werden naar den generaal De Jonge gezonden om dezen met het gebeurde in kennis te stellen. In Den Helder werd met nationale kleuren gevlagd en oranje gedragen, wat evenwel door den maire vooralsnog werd verboden.

 

Vlag Bourbon, wit  bezet met gouden lelies (fleur-d'-lis)

Tijdens de Restauratie van de Bourbon-monarchie na de val van Napoleon in 1815, werd de tricolore vervangen door de vroegere witte vlag, bezet met gouden lelies. Sinds de revolutie van 1830, toen burgerkoning Lodewijk Filips aan de macht kwam, is de tricolore weer de nationale vlag.

 

Op den 22en April bracht de generaal een bezoek te Lasalle. Bij zijne aankomst in Den Helder wapperden alom Nederlandsche en Oranjevlaggen; de burgerij, met oranje getooid, ontving hem zeer geestdriftig. Op verzoek van den maire maande generaal De Jonge de bewoners in eene toespraak tot rust en kalme afwachting aan. De Fransche bezetting bleef binnen de forten geconsigneerd, daar reeds door enkele burgers op de soldaten was geschoten. De onderhandelingen tusschen beide bevelhebbers leidden tot eene ontwerp-concentie, waarover het gevoelen van den krijgsraad nader zou worden gehoord. De generaal schreef 22 April aan den commissaris-generaal van oorlog: "Voor zooverre ik 't fort Lasalle gezien heb, is dit alles van een zeer groot gewicht en verre boven mijn verwachting:.

 

De sterkte der bezetting bedroeg 975 man en de bewapening 315 vuurmonden, sommige ter waarde van f 10.000. Daar de bezetting den eisch handhaafde, een officier naar Frankrijk te zenden ter overreiking eener akte van adhaesie aan de Fransche regeering, werd hiermede op 23 April de overste De St. Just belast. Na een oponthoud van 8 dagen in Den Haag, kreeg hij toestemming zijne reis te vervolgen ten einde het Fransche gouvernement omtrent den stand van zaken in Den Helder voor te lichten, machtiging tot capitulatie te verzoeken en de plaats van ontscheping der bezetting in Frankrijk te regelen.

 

Eerst den 25en April bereikte het antwoord op de ontwerpconventie van 22 April het Nederlandsche hoofdkwartier in den vorm eener tegen-conventie, die volgens generaal De Jonge "vele nieuwigheden en zelfs door mij afgewezen pointen" bevatte. Die "niewigheden" waren: de bevoegdheid voor den admiraal Ver Huell om de plaats van ontscheping der bezetting in 't oude Frankrijk te bepalen; betaling aan de aannemers der vestingwerken van 't verschuldigde over 't jaar 1813 (een aanzienlijk bedrag!); het recht voor alle geboren Nederlanders der bezetting, zonder vervolging om politieke redenen naar hunne haardsteden terug te keren; handhaving der officieren in hunnen rang, hunne gelijkstelling met hen, die gedurende de overheersching Frankrijk hadden gediend en uitbetaling hunner achterstallige tractementen. De "afgewezenen pointen" handelden over vervoer naar Den Helder van allen die zich tegen hunnen wil in Nederland bevonden, ten einde zich met de bezetting naar Frankrijk in te schepen, overgave der bescheiden van de Fransche schepelingen aan in Nederland achter te blijven Fransche kwartiermeesters en uitbetaling van particuliere gelden der Fransche officieren berustende in de

"invalidenfondsen voor marine en zeevarenden".

 

De eisch om de brik le Génie, in Frankrijk gebouwd en uitgerust, te houden en te voorzien van een maand vivres, werd in gunstige overweging genomen. Bij deze tegenconventie was door den admiraal een begeleidend schrijven gevoegd, waarin o.a. stond te lezen:

 

"Aan de Fransen die, als gevolg van het wisselen van de macht, tegen hun zin in Holland verblijven, moet de gelegenheid worden geboden naar de garnizoenen in Frankrijk terug te keren, noch mogen de belangen van de Hollandse Officieren die onder mijn bevel hebben gediend, worden geschaad."

 

Deze toon werd Ver Huell aan Nederlandsche zijde vrij kwalijk genomen. De regeering was overigens van oordeel dat de voorstellen der tegen-conventie geen beletsel voor capitulatie der stelling mochten vormen, daar dergelijke kwesties niet behoorden geregeld te worden bij overeenkomst tusschen twee bevelhebbers, doch bij tractaat tusschen de wederzijdsche regeeringen.

 

Daar "de staat der onderhandelingen geheel van gedaante was veranderd", werden deze den 25en April door generaal De Jonge afgebroken; de wapenstilstand bleef gehandhaafd doch de aanvoer van levensmiddelen en het verkeer met 't binnenland werden geschorst. Hierdoor achtte de bezetting zich verongelijkt, daar ze, als aanhangers der Bourbons, meende te behooren tot eene bevriende natie. Hunne klachten bereikten den generaal bij schrijven van Van Westerholt dd. 27 April, waarop Ver Huell kennelijk invloed had uitgeoefend. Hierop antwoordde generaal De Jonge o.a.: "Het garnizoen van Lasalle schijnt volgens Uwe vermelde in de meening te zijn, dat men van de handelingen van deze zijde de rekenschap aan hunne officieren verschuldigd zoude wezen; zulks is eene grove dwaling".

 

Den 27en April berichtte de generaal den stelling-commandant officieel het weigerend antwoord der Nederlandsche regeering op de tegen-conventie van 25 April, waarop Ver Huell den 28en zijne handelswijze aldus rechtvaardigde:

 

... "Vanuit geen enkel gezichtspunt vind ik dat de projecten ongeschikt zijn om ze in de artikelen onder te brengen... ik hou me er verre van, te pretenderen de Prins-Souverein zijn gedrag ten aanzien van zijn officieren voor te schrijven... het is normaal dat een bevelhebber zich interesseert voor de dappere mannen die zo eervol onder zijn bevel hebben gediend."

 

Verder vervolgde hij:

 

"Ik leg me geheel neer bij de beslissing van de beide regeringen over de manier, waarop de garnizoenen uit deze landstreek moeten worden geëvacueerd, hoe deze beslissing ook mag luiden, en we zullen geduldig de resultaten afwachten."

 

Den 29en April vond op voorstel van Ver Huell eene nieuwe samenkomst plaats te Kleine Keet, tusschen beide meergenoemde Fransche hoofdofficieren, den kolonel Norman Mac-Leod en den brigadier ter zee Wolterbeek. Beide laatsten hadden besliste bevelen ontvangen zich met geene onderhandelingen in te laten, doch den geest der Fransche bezetting uit te vorschen. De Fransche stafofficieren verklaarden, dat zij en de krijgsraad "volkomen ignorant waren van de termen, door admiraal Ver Huell gebruikt ("Ik zal zeker niet van het punt afwijken" enz.), dat indien men zulks had geweten, hetzelve geen plaats zoude gegrepen hebben en dat men die termen niet moest aanmerken, als in een onmiddellijk verband met de concentie te staan". Zij verklaarden zich overigens alleszins bereid tot onderhandelen en vertrouwden "dat het Gouvernement wegens de soldijen en een convenabel transport te water billijke schikkingen zouden willen maken en het garnizoen zoo mogelijk in hun volkomen gebrek aan vleesch (hetgeen zij éénmaal in de week bekomen) zouden willen voorzien". Volgens hen werd in Den Helder algemeen oranje gedragen.

 

Onder dagteekening van 29 April stelde de commissaris-generaal van oorlog den generaal De Jonge in kennis met de overeenkomst door de Verbondenen op 23 April te Parijs gesloten. Tien dagen na data moesten dientengevolge de plaatsen, forten en militaire inrichtingen in Nederland door de Franschen worden ontruimd. De majoor Nacquart, door de Fransche regeering benoemd tot commissaris bij de ontruiming der stelling van Den Helder en der vesting Naarden, kwam reeds in den avond van 29 April in Den Helder aan met de officieele manifesten van Napoleon's val en de bevelen tot ontruiming der stelling. Generaal De Jonge werd benoemd tot gevolmachtigde der Nederlandsche regeering, terzijde gestaan in technische aangelegenheden door de kapiteins der artillerie Kellner en Gueriot de Betzeaud, den luitenant der genie van Asperen en voor zaken het eskader betreffende door den brigadier ter zee Wolterbeek.

 

Op den 30en April werd de Oranjevlag in Den Helder geheschen en aan de Nederlandsche regeering verozcht eenige belasting-ambtenaren te zenden tot inklaring der binnenvallende schepen.

 

Zondag 1 Mei, 's ochtends om 8 uur, werd bekend gemaakt, dat ieder vrij de Nederlandsche vlag mocht hijschen. De leeraren der verschilende gemeenten werden uitgenoodigd hunne gebeden voor den Souvereinen Vorst ten hemel te zenden. Dienzelfden dag beantwoordde de admiraal het bezoek van den general De Jonge aan diens hoofdkwartier in 't Zand. Beide bevelhebbers kwamen toen in hoofdzaak tot een vergelijk over de voorwaarden van ontruiming der stelling en overgave van her eskader. Omtrent drie punten verzocht echter de generaal alsnog nadere machtiging van zijn gouvernement nl.: toekenning van een geldelijk voorschot aan de bezetting, meevoering van drie stukken geschut en levering van eenige bepaalde transportmiddelen. Spoedig daarop werd hij gemachtigd aan de bezetting een voorschot van f 10.000 te verleenen, waartoe hij kon beschikken over het hem in der tijd verleend crediet van f 120.000. De medevoering van drie stukken geschut werd toegestaan voor zooverrre dit stukken van bepaald voorgeschreven typen tot hoogstens 6 pond; de beschikbaarstelling van transportmiddelen werd aan de bevoegdheid des generaals overgelaten.

 

Tengevolge van de langdurige discussiën werden eerst op den 3en Mei, datum waarop de stelling reeds volgens de Parijzer overeenkomst had behooren te worden ontruimd, de conventiën eindelijk wederzijds bekrachtigd. De generaal De Jonge had zich daartoe op den 2en Mei andermaal naar 't fort Lasalle begeven, waar de onderhandelingen over het mede te voeren geschut en de transportmiddelen werden hernieuwd; doch ten slotte de overgave en ontruiming van vestingwerken en eskader in twee overeenkomsten werden geregeld. De Parijzer conventie bepaalde, dat een nader vredes-tractaat het lot zou beslissen der oorlogsschepen en maritieme inrichtingen in de oorlogshavens aanwezig. De admiraal bezat alzoo geen besliste bevelen voor overgave van het eskader, terwijl generaal De Jonge en majoor Nacquart slechts waren benoemd tot commissarissen bij de ontruiming der forten. De generaal trachtte nu de bezwaren des admiraals te weerleggen door er op te wijzen, hoe het bevel tot vertrek der Fransche matrozen van zelf eene overgave van 't eskader in zich sloot; deze echter eischte hiervoor eene afzonderljke overeenkomst, waarin hij zich ongeveer aldus rechtvaardigt: Daar de bezetting ingevolge de concentie van 23 April 1814 de stelling van Den Helder ontruimt, hierdoor het Texelsch eskader en de maritieme inrichtingen van toezicht worden ontbloot, het vertrek van 't garnizoen de bewaking der schepen noodig maakt en dit niet anders kan geschieden dan door troepen van den Souvereinen Vorst, besluiten de wederzijdsche bevelhebbers tot hetgeen nader in de overeenkomst is vervat. Deze overeenkomst had tot belangrijk gevolg, toen de latere onderhandelingen de verdeeling der oorlogsschepen regelden tusschen Frankrijk en de betrokken natiën in reden van 2 : 1, dat "hiervan werd uitgezonderd het Texelsch eskader, welke overgave op den 4en Mei moest worden beschouwd als een voldongen feit". Den admiraal Ver Huell dankt Nederland dus het behoud harer geheele vloot.

 

In een zeer vreemdsoortig schrijven dd. 3 Mei herriep het Nederlandsche gouvernement plotseling al hare toezeggingen en stelde de conventie van Parijs tot uitsluitende basis van onderhandeling vast. De generaal De Jonge echter, die niets gedaan had zonder voorkennis van zijne regeering, handhaafde de reeds bekrachtigde verdragen.

 

 

De ontruiming.

(4 Mei 1814).

 

Hoewel de admiraal Ver Huell den generaal De Jonge had aangeboden het fort Dugommier reeds 3 Mei door de Nederlandsche troepen te doen bezetten, achtte deze laatste eene gedeeltelijke overneming om verschillende redenen ongewenscht.

In den nacht van 3-4 Mei werden door dronken Fransche soldaten in de forten Lasalle en Morland verschillende zaken vernield en beschadigd.

Den 4en Mei, 's ochtends vroeg, marcheerden de Nederlandsche troepen de linie binnen. Om 8 uur voormiddags werden de forten Morland en Dugommier door hen bezet en om 9 uur een detachement infanterie met eenige artillerie naar Lasalle gezonden tot overneming der noodige posten.

Om 10 uur s' ochtends liet de admiraal de geheele bezetting aantreden en dankte haar voor hare bewezen diensten, trouw en standvastigheid. Hij vereerde haar een wit vaandel tot vereenigingsteeken op 't veld van eer; daarbij wees hij haar op de schitterendste tijdperken der Fransche geschiedenis.

Met vliegende vaandels en slaande trommen trok Ver Huell te paard 's ochtends om 11 uur aan 't hoofd der bezetting uit fort Lasalle. Generaal De Jonge stond aan 't hoofd zijner troepen op eenige afstand; beide bevelhebbers bewezen elkaar de militaire eer. De generaal trok daarna het fort binnen, waar de Nederlandsche vlag werd geheschen en gesalueerd. De admiraal geleidde de bezetting tot een half uur buiten Den Helder en gaf daar het bevel aan den brigade-generaal Mayer over. Diep ontroerd scheide hij onder de kreten "Vive l'amiral" van zijne trouwe krijgsmakkers. *13)

 

Bij zijn terugkeer in Den Helder had zich eene groote menigte aan den ingang van 't dorp verzameld. Onder de kreten "leve admiraal Ver Huell, onze redden en weldoener" geleidde de bevolking hem in triomf naar Lasalle, waar hem door generaal De Jonge werd verzocht eene wapenschouwing over de provisioneele Nederlandsche bezetting te houden, bestaande uit 40 landkozakken, het 15e bataljon infanterie van linie en 4 compagnieën landstorm uit Alkmaar. Een kapitein van den landstorm trad bij die gelegenheid uit om den admiraal namens de ingezetenen van Noord-Holland te bedanken voor het behoud der provincie en de handhaving der rust.

 

De aandoening en geestdrift der inwoners van Den Helder bij het binnenrukken der Nederlandsche troepen is niet te beschrijven. Om half vier 's middags arriveerde de staatsraad-gouverneur van Holland voor het noordelijk gedeelte, Van Tets van Goudriaan, die namens den Souvereinen Vorst eene proclamatie aan de inwoners uitvaardigde.

 

Ook op het eskader werd de Nederlandsche vlag geheschen. De Engelsche oorlogsbrik The British Mare kwam op de reede ten anker; de commandant, captain Riddle, meldde zich bij den admiraal om hem de verzekering te geven dat in Engeland hem algemeen lof wegens zijn standvastig gedrag werd toegezwaaid; hij stelde namens zijn gouvernement de brik ter beschikking van Ver Huell. Deze echter dankte voor de hulde, hem door de Engelschen bewezen. Reeds op den 2en Mei had zij zijn adjudant Rijk naar Den Haag gezonden met een brief aan den commissaris-generaal van marine, waarin hij dezen verzocht den S.V. zijn positie onder 't oog te brengen en Z.K.H. zijne diensten aan te bieden. In afwachting van het antwoord bleef de admiraal met zijnen staf nog twee dagen in Lasalle, waarna hij zich op 6 Mei aan boord van het jacht Boreas inscheepte. Intusschen gelastte hij zijnen gewezen schipper Matthijsen de brik le Génie gereed te maken voor een overtocht naar Frankrijk.

 

Den 7en Mei kwam het bescheid van Van der Hoop, luidende "dat het van Uwe Excellentie (Ver Huell) en Uwe drie adjudanten zal afhangen, om hetzij ter verantwoording of ter voortzetting van Uwe dienst naar Frankrijk te vertrekken, hetzij, om hier te lande te verblijven, in welk geval Uwe Excellentie en hun alle die wetten te stade zullen komen, welke de veiligheid van stille ingezetenen verzekeren". Dit antwoord bevestigde het bericht van Rijk uit Den Haag, hoezeer men veeleer geneigd was Ver Huell te verwijderen dan te behouden.

 

Dat hem in Frankrijk eene betere ontvangst werd bereid blijkt uit eenen brief van jhr.mr. H.J. Van der Graaff, dd. 16 April 1814. Deze schrijft: "Ik heb de Franschen hooren zeggen:

 

"Wij hopen allemaal, dat Mr. Ver Huell door de Franse regering goed zal worden onthaald, omdat hij dat verdient en dat Uw prins hem in zijn land nooit zal kunnen teruggeven wat hij in Frankrijk heeft verloren."

 

De maire van Den Helder betuigde namens de ingezetenen schriftelijk den admiraal dank voor alle goedheid, aan de inwoners bewezen en voor de wijze, waarop hij deze steeds had ontzien. Hij bood Ver Huell de eerste jonge groenten aan uit zijn tuin. Later werden de bewijzen van erkentelijkheid der ingezetenen door eene deputatie van notabelen uit de burgerij mondeling herhaald.

 

Na persoonlijk afscheid genomen te hebben op alle schepen van het eskader, begaf de admiraal zich 9 Mei aan boord van de brik le Génie onder bevel van den lieutenant de vaisseau Des Landen. Door tegenwind opgehouden vertrok Ver Huell eerst op den 11en Mei naar Havre de Grâce, waar hij door de Fransche autoriteiten met alle eerbewijzen, aan zijnen hoogen rang verbonden, werd ontvangen.

 

Met zijn vertrek uit het vaderland eindigt de geschiedenis der Fransche overheersching in de stelling van Den Helder.

 

Slot.

     

Noten:

*1) Taalkundige onjuistheden in Franschen en Hollandschen tekst zijn het gevolg van letterlijke   overneming der oorspronkelijke redactie uit de geraadpleegde geschiedkundige bescheiden.

*2) Thorbecke, Historische Schetsen, blz. 153 Gedenkboek II.

*3) De maire van Den Helder en Huisduinen vaardigde daarop den 20en November de waarschuwing uit aan de ingezetenen "dat de vereenigde rechten op de gewone voet blijven voortduren volgens de exteerende Reglementen".

*4) Waarschijnlijk de Scarborough en de Bedford onder den schout bij nacht Ferrier.

*5) Het slechten dezer forten op den 2en December schijnt zeer onvolkomen te zijn geschied,   daar het fort l'Ecluse op den 10en Februari en 't fort Dufalga op den 22en Februari 1814 afdoende moesten worden vernield.

*6) J. Van Dam den Bouwmeester spreekt in zijne "Beschrijving van den Helder" (1847) over eene commissie, bestaande uit den maire A. van Westerholt met de heeren J. Giltjes sr. en Jb. Hooglandt, die zich op 3 December "naar den vijand begaven". Zij keerden 's avonds terug, werden bij den admiraal ontboden en verzocht naar Den Haag te gaan, om den S.V. voor te stellen op zekere voorwaarden te capituleeren. Hun verzoek zou schriftelijk door den commissaris-generaal Van Stralen den S.V. ter hand gesteld zijn, die te kennen zou hebben gegeven, dat zoo één schip niet voldoende was voor overtocht der bezetting naar Frankrijk, gaarne twee ter beschikking stonden. Volgens getuigenis van een dier heeren zou Z.K.H. gevraagd hebben, of Ver Huell niet in Hollandshen dienst zou willen treden, wat ze toestemmend beantwoordden.

Uit andere bescheiden is gebleken, dat op 3 December de maire met den heer Simon Riekels en den notaris Cornelis van Herwerden werden afgevaardigd naar beide strijdende partijen om de belangen der gemeente bij eventueele vijanderlijkheden of ingeval van capitulatie te bepleiten.

*7) Generaal De Jonge schrijft omtrent deze schermutseling in zijn "dagverhaal", dat een vijandelijk detachement, uit cavalerie en infanterie bestaande, vóór het aanbreken van den dag zich op het buitenveld vertoonde om eenige verlaten boerenhoeven te plunderen. Langs Kleine Keet marcheerende om de vijandelijke voorposten aan te tasten, werden ze aldaar ontdekt en opgehouden totdat versterking der Kozakken van Groote Keet was aangerukt. Zij werden toen aangevallen en op Morland teruggeworpen. Daar de Fransschen, die zich reeds hadden overgegeven, weer begonnen te vuren, kostte het veel moeite de gevangenen in veiligheid te brengen; deze werden 4 Januari naar Woerden opgezonden.

Gedenkboek. II.

*8) Deze laatste vervaardigde op verdienstelijke wijze twee aquarellen van het inwendige van fort Lasalle, die later door zijn zoon aan de gemeente Den Helder ten geschenke zijn gegeven en thans in de raadzaal aldaar prijken. Dank zij de groote welwillendheid van burgemeester en wethouders dier gemeente konden de reproducties dezer belangrijke schilderstukken in dit werk opgenomen worden.

*9) Den 2en Januari hadden de Kozakken bevel gekregen naar Den Haag af te marcheeren. De generaal De Jonge prostesteerde heftig tegen deze order, daar zijne voorposten hierdoor werden verzwakt. Niettemin werd op 5 Januari het bevel herhaald, waarop dien dag een gedeelte en op 10 Januari de rest der Kozakken naar Den Haag vertrok. Bij ontstentenis van cavalerie schiep de generaal toen de zgn. landkozakken.

*10) Zij behoorden tot een Engelsch tranportschip, komende van Plymouth, bestemd tot overbrenging van een detachement, sterk 7 officieren en 101 onderofficieren en soldaten van het 2e regiment lichte infanterie van Nassau naar Hellevoetsluis. Van dit detachement werden slechts 3 officieren, 2 onderofficieren en 22 man gered. Hunne ledematen waren bevroren; ze werden met de grootste menschlievendheid door de burgers op texel verzorgd. Eerst 16 Maart, toen de ijsgang ophield, werden ze op last van generaal De Jonge overgebracht naar Petten en tot herstel van gezondheid in het hospitaal te Alkmaar opgenomen, of op hun korps gedirigeerd.

*11) Deze voorwaarden luidden o.a.

.... "Onder voorwaarde dat men de Engelse oorlogsbodems niet de weg zal wijzen teneinde op deze plek een aanval te dirigeren of om de fortificaties van den Helder in alarmtoestand te houden door zonder ander doel te verschijnen, noch om daar gedurende de nacht de schepen bij verrassing naar binnen te brengen... het licht zal onder directe controle staan van de commandant van fort Morland. Niemand dan de bewaker mag 's nachts het licht naderen, men dient zich zonder enige consideratie terug te trekken, het licht zorgt voor de ondersteuning van het geschut van fort Morland."

*12) Op de vloot had men de Fransche driekleur wel gestreken, doch geweigerd deze te vervangen door de Bourbonsche vlag, daar de Hollandsche zeeofficieren niet wenschten te commandeeren onder de Fransche koningsvaan.

*13) Zij marcheerden ter sterkte van 950 man, vergezeld door 2 Hollandsche officieren via Schagen, Alkmaar, Haarlem en Wassenaar naar Rotterdam waar zij 9 Mei een rustdag moesten houden en over Willemstad, via Hoogerheide op 12 Mei Lillo moesten bereiken. Door onvoorziene moeilijkheden te Rotterdam opgehouden, is de march aldaar afgebroken; de troepen werden ingescheept en naar Lillo overgebracht.

 

 

S.V. = Souvereine Vorst