De stelling van Den Helder | De blokkade der stelling van Den Helder

Napoleon bezoekt Den Helder

 Artilleriekazerne | Kledingmagazijn

Home/Accueil

●  Inleiding/Preface

●  Nieuws/Nouvelles

Nederlands/Néerlandais

●  De Stelling Den Helder

●  Kustartillerie

●  Forten/Forteresses

●  Batterijen/Batteries

●  Linies/retranchement

●  Bunkers/Abris

●  Monumenten

Duits/Allemand

●  Bunker complexen

●  Bunkers/Abris

●  Radar

●  Mijnenvelden

Overige plaatsen

●  Callantsoog

●  Den Oever

●  Petten

●  Schagen

●  Schoorl

●  Texel 

Diversen/Divers

●  Boeken/Livres

●  Links/Liens

●  Updates

●  Site

 

 

 

DE STELLING DEN HELDER 

 © J. van Tongeren, laatste wijziging 20 maart 2010

  

Onderstaande verhalen zijn eerder gepubliceerd

in de Stellingkrant jaargang 1992-1993.

 

De 80-jarige oorlog (1568-1648)

De 9-jarige oorlog (1688-1697)

De Spaans Successie-oorlog (1701-1714)

De Oostenrijke Successie-oorlog (1740-1748)

De vierde Engelse oorlog (1780-1784)

De Bataafse Republiek (1795-1806)

De Tweede Coalitieoorlog (1798-1802)

Landing der Engelsen en Russen (1799)

Koninkrijk Holland (1806-1810)

De inlijving bij Frankrijk (1810-1814)

Napoleon bezoekt Den Helder

Het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830)

De Belgische Revolutie (1830-1839)

De afscheiding van Belgie tot de Frans-Duitse oorlog (1839-1870)

De Frans-Duitse oorlog (1870-1871)

Vestingstelsel

De mobilisatie Eerste Wereldoorlog (1914-1918)

Het Interbellum (1918-1940)

De Mobilisatie (1939)

De Tweede Wereldoorlog (1940-1945)

De naoorlogse periode (1945-1993)

Het behoud van verdedigingswerken

Nawoord

2004

2005

2008

De 80-jarige oorlog (1568-1648)

 

In het begin van de 80-jarige oorlog met Spanje lagen het dorp Huisduinen en het nog kleinere dorp Den Helder op het eiland Huisduinen. Toen er in 1574 dan ook een aanval dreigde van de Spaanse vloot op ons land, was er sprake om een sterkte te maken op Huisduinen.

In 1583 bestond er een schans op Huisduinen, en in 1588 had zelfs de vestingbouwkundige meester Adriaan Anthonisz bemoeiingen met "de schantze" op Huisduinen. Ook op het eiland Texel werd een schans aangelegd.

 

Nadat in 1610 aan de Noordzeezijde een zanddijk (Oldenbarneveldtsdijk) was opgeworpen, was het eiland van Huisduinen definitief verbonden met het vasteland bij Callantsoog.

Diverse bronnen vermelden, zonder nadere plaatsaanduidingen, schansen en batterijen, aangelegd of verbeterd in 1651, 1654, 1665 en 1672/73.

 

 

 

De 9-jarige oorlog (1688-1697)

 

We schrijven het jaar het jaar 1695 als de Nederlandse Republiek zich in de 9-jarige oorlog met Frankrijk bevindt en voor de Helderse en Texelse kust telkenmale vijandelijke franse schepen worden gesignaleerd. Op 21 december 1695 schreven Gecomitteerde Raden aan baljuw Adriaan van Coppenol en regenten dat Huisduinen een luitenant met 2 sergeanten en vijftig muskettiers in garnizoen zou krijgen. Begin januari 1696 was de dreiging blijkbaar verminderd, want op 8 januari kreeg de baljuw van Huisduinen bericht dat de ingekwartierde militie naar Den Haag moest terugkeren. Desondanks kreeg Adriaan Wentel toch de opdracht om op Kijkduin van in voorraad liggend hout een vloer te maken voor twee van de twaalf- en zesponder kanonnen, die opgesteld stonden in de batterij aan de westzijde van het Nieuwediep. Ook moest de kolenschuur van het kustvuur op Kijkduin geschikt gemaakt worden om als wachthuis een "corps de guarde" voor de kustbewaking op Huisduinen te dienen. Wentel kreeg machtiging om, ter versterking van de burgerwacht, een constabel (kanonnier) en een loods met kennis van het zeegat van Texel aan te nemen tegen een beloning van 5 gulden per week.

 

 

 

De Spaanse successie-oorlog (1701-1714)

 

Na vier jaren van rust dreigde er opnieuw gevaar en kreeg Den Helder in juni 1702 twee batterijen, te weten één bij de Kaapstander op de dijk tegenover de witte ton in het Landsdiep (tegenwoordige Kaaphoofd) en één bij het wachthuis bewesten Den Helder, welke elk bewapend waren met een bronzen 6-ponder. Ook werden er twee constabels (kannoniers) aangesteld.

 

Het is echter niet tot een vijandelijke aanval uit zee gekomen, maar toen er in maart 1708 geruchten de ronde deden dat de Franse oorlogsvloot zou uitvaren en dat de Duinkerkers de zee onveilig maakten, stelde de Gecommitteerde Raden een drietal officieren aan: Tijs Jansz Hogentreed (kapitein gewapende landzaten van Huisduinen en Den Helder), Jan Janz Coenraad (luitenant van Huisduinen) en Cornelis de Leeuw (luitenant van Den Helder)

Als dan de vrede in zicht komt krijgt Jan Wentel (zoon van eerdergenoemde Adriaan Wentel en sedert 1707 's Lands opziener) opdracht per mei 1713 de constabel en per 1 juni 1713 de ammunitie in te leveren. 

 

 

 

Oostenrijke Successieoorlog (1740-1748)

 

Toen de Republiek der Verenigde Nederlanden door het ondertekenen (1740) van de Pragmatieke Sanctie van keizer Karel VI in de Oostenrijke Successieoorlog betrokken werd en de Fransen aasden op de Zuidelijke Nederlanden bouwde men wederom een tweetal batterijen.

 

Op een uitvoerige 'Caarte van Den Helder tot het Lage Hooft ...' van Jan Wonder-Muller, gedateerd 29-30 december 1747, zien we ten westen van het Strontdijkshoofd op het buitentalud een batterij voorzien van 5 stukken geschut. Op 23 oktober 1771 bij windstil en helder weer gleed deze batterij - dan bewapend met 6 stukken - ten gevolge van een oeverval in de golven.

 

Op kaarten van november 1748 tot 1774 vindt men ook een batterij van 5 stukken, aangegeven op het buitentalud van de Zeedijk halverwege Kaaphoofd en Huisduinen. Deze batterij zal zijn weggeslagen of gesloopt.

 

 

 

 De vierde Engelse oorlog (1780-1784)

 

In januari 1781, in verband met een dreiging van de Engelse vloot voor onze kust, werd een invasie gevreesd. Derhalve vaardigden de Staten van Holland en West-Vrieslandt op 6 februari een resolutie uit bestaande uit 5 punten, te weten:

punt 1: "De bevolking bewapenen, kader bijplaatsen" en

punt 4: "overal forteressen opwerpen voor batterijen".

 

Een garnizoen werd spoedig geplaatst. En uit een kaartje van 1781 bleek dat men een drietal batterijen en andere werken wenste aan te leggen ter bescherming van de Helderse haven en kust. Men heeft toen slechts twee naar achteren open batte­rijen aangelegd en wel één op de zuidduinen van de Kleine Keet. De andere werd door het garnizoen gebouwd op de dijk beoosten het dorp Den Helder, dat vervolgens werd bewapend met kleine kanons van 6 pond welke afkomstig waren van de brik "De Zwaluw".

 

Op 10 april 1781 schreef het admiraliteits-college van Amster­dam een adres aan de Staten, waarin uitvoerig werd ingegaan op de noodzaak van een veilige haven voor berging en dergelijke, waarvan men ook snel zou kunnen uitzeilen. Voorgesteld werd het Nieuwediep, als door alle deskundigen voor geschikt bevonden.

Op 20 april 1781, de dag van de resolutie, arriveerden stadhouder Willem V en andere heren voor een laatste inspectie te Den Helder. De ernst van de tijden ver­leende deze brief nog meer gezag en reeds 10 dagen later werd, onder oppositie van Dordrecht, Alkmaar en Medemblik, de stadhouder gemachtigd door de Staten tot het opstellen en uitvoeren van plannen aangaande Den Helder tot een veilige ligplaats voor 's lands schepen van oorlog te maken.

Tot een landing van de Engelsen is het niet gekomen.

Op 15 mei 1781 wees een commissie op de voortreffelijkheid van het Nieuwe Diep als zeehaven, maar toonde tevens de noodzakelijkheid aan om die haven te versterken.

 

Het moeten de genoemde batterijen zijn "waarvan de controleur der fortificatiën met lof gewaagt" in zijn memorie van 20 juli 1787. Hij stelde echter nog een post voor op de Sluisdijk (vermoedelijk waar vroeger de Oostbatterij stond) om:

"het inkomen van de haven te secureeren en achtte de voorgestelde werkplaats (kielplaats) het minst geeexposeerd, daar het daarachterliggende Koegras bezwaarlijk door te trekken is, al mocht een vijand ten zuiden van Huisduinen geland zijn". Ook deze batterij is niet gebouwd.

 

Pas in 1789 kwam er weer schot in de zaak, toen in augustus Stadhouder Willem V wederom het Nieuwediep inspecteerde. Bij die gelegenheid gaf hij Den Berger en May opdracht advies uit te brengen aangaande het aanleggen van een kielplaats. May diende zijn plan in op 24 september en Den Berger op 30 september 1789. De Staten van Holland besloten tot de aanleg van een kielplaats conform het plan van May en om die te versterken. De Kielplaats kwam tussen 1790-1792 tot stand, maar de versterkingen bleven uit.

 

Uiteindelijk werd in 1793 besloten tot de bouw van de batterij Louise op de dijk tegenover het huidige Marinemuseum. De bezetting van Den Helder bestond toendertijd uit 1 bataljon jagers en 2 compagnien artillerie.

 

 

 

 

De Bataafse Republiek (1795-1806)

 

Toen Engeland op 15 september 1795 de oorlog verklaarde aan de Bataafse Republiek werden tenslotte toch nog 3 kustbatterijen aangelegd met de welluidende namen de "Vrijheid" ter hoogte van het Middelhoofd, de "Gelijkheid" ten noordwesten van de Kleine Keet en de "Broederschap" ten noordwesten van Huisduinen.

 

Onder bestuur van Generaal-majoor van Helden werd in 1797 een Retrachement aan de Zeedijk en het Redout bij het Weeshuis (Heiligharn) gebouwd. Het viel in de door hen aangelegde linie, waarvan men de sluisdijk als continuatie tot aan den 3-sprong kan beschouwen, waar zij een poligoon hebben aangelegd, achterwaarts door een glacis gesloten. Het was bezet met 4 metalen acht­ponders en hadden een kapluifel met 2 kisten. In ieder dezer werken stond een wachtloods.

 

Den Helder was in die tijd bezet door een bataljon jagers en 2 compagnien artillerie. Het krijgsvolk was gehuisvest in een houten kazerne op een stenen funde­ring met daarbij behorende kookhuizen. Het was geplaatst aan de westzijde van Den Helder en konden elk 400 man huisvesten. Inkomen van Den Helder van de zijde der "Revolutie", een stenen kazerne tot berging van 150 man. Aangezien men in de kazerne geen voldoende ruimte tot huisvesting kon bieden, werden door het bestuur van Den Helder en Huisduinen particuliere gebouwen gehuurt.

 

In 1798 werd besloten bij de 5-sprong een werk aan te leggen, doch deze is onafgemaakt gebleven. Het plan bestond om twee halve gevleugelde bolwerken, door een gebrokene courtine verenigd, aan te leggen.

De op de kaart van 1803 vermelde verdedigingswerken zijn de batterijen: "Kijkduin" (bij Huisduinen), "le Réperateur" (bij Den Helder), "la Révolution" (later batterij Kaaphoofd), "l'Indivisible" (later Oostbatterij) en "l'Union" later batterij Louise). Voorts werken rondom de landzijde van Den Helder, de rede van Den Helder met de zuidpunt van Texel. Niet ondertekend. 1803

 

Carte du Helder et de Huisduinen, avec les ouvrages de défense pour couvrir le Nieuwe Diep du côte de la campagne, projectée et exécutée en l'an 1803 par le Lieutenant-Colonel du Genie G.J. le Fèvre de Montigny, servant sous les ordres du Lieutenant-Général Dumonceau.

 

 

 

De Tweede Coalitieoorlog (1798-1802)

 

Hoewel Engeland na de eerste coalitieoorlog van 1792-1797 in oorlog met Frankrijk was gebleven, was men niet direct  beducht voor een aanval van de Engelsen in de kop van Noord-Holland. Dat blijkt uit het feit dat de in 1795 gebouwde batterijen "Vrijheid", "Gelijkheid" en "Broederschap" niet goed werden onderhouden en al vóór 1799 waren ondergestoven en opgeheven. Wel werd aandacht besteed aan de batterij "de Revolutie", die van 1798-1799 van achteren met een palissadering werd gesloten en werd uitgebreid met enige stenen borstweringen, epaulementen en een houten wachtloods.

 

 

 

 

Landing der Engelsen en Russen in 1799

 

Het Engels-Russisch verdrag van 22 juni 1799 had tot doel de Franse overheersers uit de Nederlanden te verdrijven en het Erfstadhouderschap in ere te herstellen. Omdat men nu wel een aanval vanuit zee verwachtte, werden de batterijen "de Revolutie" en "de Unie" in allerijl bewapend.

Intussen werd het Franco-Bataafse leger geleid door opperbevelhebber Generaal Brune. Het Bataafse leger dat uit twee divisies bestond, stond onder leiding van Luitenant Generaal Daendels en Luitenant Generaal Dumonceau. Generaal Daendels had volgens opdracht van Generaal Brune zijn Divisie in Noord-Holland zodanig opgesteld dat hij snel naar elk gewenst punt van de kust kon oprukken. De Divisie van Daendels bestond uit de Brigade Guéricke en de Brigade van Zuylen van Nijevelt.

De +5000 sterke Brigade Guérike stond in het het noordelijk gedeelte van Noord Holland tussen Den Helder en Schagen, verdeeld over een front van 20 km (in rechte lijn gemeten). Den Helder werd beschermd door de 7e Halve Brigade à drie bataljons (sterk 1800 man) onder leiding van commandant Kolonel Gilquin.

 

Op 27 augustus 1799 's morgens om vier uur landde de Engelse invasiestrijdmacht onder Sir R. Abercromby tussen Huisduinen en de Grote Keeten. Een beschieting door Britse schepen ging hieraan vooraf. Den Helder werd verdedigd door twee bataljons infanterie, waarvan er één in de laagte ten zuiden van Kijkduin kampeerde.

Aangezien een landing vanuit het Koegras (zuiden) nooit was verwacht vanwege de onbegaanbaarheid van het terrein, verloren de batterijen (die aan de landzijde open waren) hun nut. De halve Brigade Gilquin had inmiddels het bevel gekregen de kustbatterijen en Den Helder te ontruimen.

De inmiddels uit 3000 man verzamelde Bataafse troepen verlieten Den Helder na eerst de 86 vuurmonden te hebben vernageld en een aantal affuiten te hebben vernield. Na een moeizame tocht in de duisternis door het Koegras wisten de Bataafse troepen na middernacht 't Zand te bereiken. Op 28 augustus bezette Abercromby Den Helder.

 

De Engelsen en Russen hebben in de twee maanden dat zij in Den Helder verbleven een aantal veldwerken aangelegd om de landzijde te kunnen verdedigen, o.a. oostelijk van het huidige fort Kijkduin en ter hoogte van het huidige bastion Dirksz Admiraal. Van deze linie van werken bleef het vleugelwerkje ten oosten van Kijkduin tot 1838 in stand.

Op 18 oktober tekenden de Hertog van York (namens Engeland) en Brune een capitulatie, waarbij werd bepaald dat de Engelsen en Russen op 30 november 1799 het land moesten hebben verlaten. In de veronderstelling dat de Engelsen voorlopig genoeg hadden van oorlog voeren, werd er niet meer aan de verdedigingswerken gebouwd. Alleen de batterijen "de Unie" en "de Revolutie" werden in 1800 uitgebreid met gloeiovens, de laatste bovendien met een kruitkelder.

 

In mei 1803 brak wederom een Frans-Engelse oorlog uit; het Staatsbewind trachtte neutraal te blijven, doch Napoleon had de Nederlanden nodig voor een aanval op Engeland. Om Den Helder beter te kunnen beschermen werd in datzelfde jaar door Luitenant Kolonel Ingenieur G.L. la Fevre de Montigny om het eigenlijke dorp Den Helder een retranchement aangelegd met drie posten aan de kant van Huisduinen. Ook liet hij de batterij "Hersteller" aanleggen. Op de omdijking van het Nieuwe Werk werd enig geschut geplaatst en de batterij "de Constitutie" op de Zeedijk voor het dorp Den Helder kreeg in 1804 een stenen gloeioven.

 

Bij de grondwet van 1805 bewerkte Napoleon de instelling van een eenhoofdig gezag in de persoon van Rutger Jan Schimmelpenninck. Na de afkondiging van het Continentaal Stelsel begreep Napoleon dat Nederland dit nooit zou steunen zolang er een Nederlander aan het hoofd stond. Daarom wenste hij zijn broer Lodewijk als Koning van Holland.

 

 

 

 

Koninkrijk Holland (1806-1810)

 

Lodewijk Napoleon werd op 5 juni 1806 uitgeroepen tot Koning van Holland. Op 21 april 1807 bezocht Koning Lodewijk Den Helder. Te paard bezocht hij het kampement van de troepen en na inspectie liet hij de artillerie, het voetvolk en het bataljon matrozen manoeuvreren. Vervolgens ging de Koning naar de batterij "de Revolutie", alwaar de landartillerie vuurde met gloeiende kogels. Het geschut raakte reeds met de eerste schoten een vaartuig dat op de banken schipbreuk had geleden. Lodewijk was met zijn bezoek aan Den Helder zo ingenomen, dat hij aan de Ministers van Marine en Oorlog opdroeg een commissie samen te stellen om een verdedigingplan voor Den Helder te ontwerpen.

 

Het bleef echter bij kleine uitbreidingen en verbeteringen aan de batterijen. Nogmaals wijst de commandant van de zeemacht ter rede van Texel zijn superieuren op de feiten dat Den Helder zwak verdedigd werd. Wederom kreeg J. Blanken Jansz opdracht een verdedigingsplan te ontwerpen.

Zo kreeg de batterij "de Revolutie" op kaaphoofd in 1810 de Franse naam "La Batterie Impériale" welke in de keel verbeterd werd. Om Den Helder beter te kunnen verdedigen werden tussen 1804 en 1810 veelvuldig plannen en ontwerptekeningen gemaakt, maar gebouwd werd er niet.

 

 

 

 

De inlijving bij Frankrijk (1810-1814)

 

Keizer Napoleon vaardigde bij decreet van Rambouillet van 9 juli 1810 uit dat Nederland werd geannexeerd bij Frankrijk.

 

Dit had tot gevolg dat de bestaande Dienst der Fortificatiewerken per 21 september 1810 overging in het Corps Imperiale du Génie, dat de ontwerpen van forten voor zijn rekening nam. Eind 1810 werden de drie kustbatterijen l'Union (de Unie), Consitutie (Hersteller) en Revolutie (Kaaphoofd) van achteren gesloten door palissaderingen en gedeeltelijk door borstweringen. Ook de in dat jaar nieuw aangelegde kustbatterij op Kijkduin werd door palissaderingen omringd.

 

Nadat Napoleon in juli 1810 zijn plannen had bekendgemaakt, gaf hij op 6 april 1811 zijn goedkeuring aan de uitgewerkte plannen voor de bouw van fort Lasalle (Erfprins).

 

In 1811-1813 werd fort Lasalle (Erfprins) aangelegd als een groot onregelmatige aarden vijfhoekig gebastioneerd fort, met twee grote en één kleiner ravelijn aan de zeezijde.

 

Ten zuiden van het fort Morland lag op de buitenste duinrand "Batterie de Côte Provisoire", ook wel "Batterie Morland genoemd. Deze kustbatterij was aangelegd ter bescherming van het in aanbouw zijnde fort Morland (Kijkduin) dat eveneens werd aangelegd in de periode 1811-1813. De bouwkosten van fort Morland waren begroot op Frs. 170.000 voor het aardewerk en Frs. 60.000 voor het metselwerk.

 

Ter hoogte van de Kleine Keeten werd fort du Falga 380 meter brede gebastioneerde fort was ontworpen voor een bewapening van 22 kanons van 36 pond en 16 mortieren. Voltooid werden slechts een aarden fortificatie-zeefront en een houten kazerne.

 

Om het landfront beter te kunnen verdedigen werd door de Fransen tussen 1812-1813 het fort l'Ecluse (Dirks Admiraal) opgeworpen. Het plan voorzag in een gebastioneerd fort met drie bastions en een groot bomvrij wachthuis. De buitenwerken en het aarden reduit werden pas in 1813 en 1814 voltooid en kostten Frs. 6.821.000.

 

 

 

Napoleon bezoekt Den Helder

 

Op 15 oktober 1811 verliet Napoleon Amsterdam om een bezoek te brengen aan Den Helder, waarvan hij een belangrijke oorlogshaven wilde maken. 's Avonds om zes uur arriveerde de Keizer te paard alhier en liet zich vergezellen door de Amsterdamse Garde d'Honneur. Hij overnachtte in het "Landhuis" en bezocht de volgende dag Texel waarvan hij 's avonds terugkeerde.

 

 

De 17e 's morgens bezocht Napoleon om zes uur te paard de forten Lasalle (Erfprins) en Morland (Kijkduin), die nog niet met geschut bewapend waren en waaraan reeds Frs. 2.000.000 waren besteed. 's Middags ging hij per sloep over het Nieuwe Diep en bezocht het fort Du Gommier (Het Nieuwe Werk). Over hetgeen hij gezien had was hij bepaald opgetogen. Daarom verlangde hij dat de forten Morland, Lasalle en l'Ecluse (Dirks Admiraal) in oktober 1812 zover gevorderd moesten zijn dat zij in verdedigbare staat waren. Nog dezelfde avond keerde hij met grote spoed terug naar Amsterdam.

In zijn decreet van 31 oktober 1811 bepaalde Napoleon dat het Nieuwe Diep, Medemblik en Hellevoetsluis voortaan uitsluitend oorlogshavens zouden zijn.

 

Het tracé zoals goedgekeurd op 4 maart 1812 door het Comité central des Fortifications. (Bron: Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage, vestigingplan H 60).

 

Op 15 maart 1812 werd verder besloten het Nieuwe Diep tot een oorlogshaven van de eerste rang te maken. Nog datzelfde jaar werd fort Dugommier (voorheen het Nieuwe Werk), ter bestrijding van het Koegras, voorzien van een banket en emplacementen voor geschut. Het geheel werd gepalissadeerd met enige barrieren en een bedekte weg met lunet. In 1813 werd de batterie "Le Réparateur" (Hersteller) gesloopt voor het opwerpen van de westelijk te bouwen batterie "Roi du Rome" (vernoemd naar de zoon van Keizer Napoleon). De geplande linie van fort Lasalle naar fort l'ecluse en vandaar naar fort Dugommier werd niet gerealiseerd. Hoewel de bouw van de fortificatiën voornamelijk een Franse aangelegenheid was, waren er ook Nederlandse officieren-ingenieurs in Franse dienst bij betrokken.

 

Plattegrond verdedigingswerken 1813-1814. De linie is ten onrechte ingetekend, aangezien deze is gegraven van 1825-1826.

 

Terwijl Wellington vanuit Spanje Frankrijk binnenviel, werd Napoleon in de Volkerenslag bij Leipzig (16-19 oktober 1813) verslagen. Na de laatste tegenstand op Franse bodem konden de verbondenen in maart 1814 Parijs binnentrekken.

Te Den Helder liet admiraal Verhuell al in december 1813 en februari 1814, in verband met onbreken van voldoende bezettingstroepen, de forten l'Ecluse (Dirks Admiraal) en du  Falga opblazen en verder ontmantelen. De overige werken van de aan hem toevertrouwde stelling wist hij tot 4 mei 1814 voor Keizer Napoleon te behouden.

 

 

 

Het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830)

 

Op 30 november 1813 zette Erfprins Willem VI op het Scheveningse strand voet op vaderlandse bodem. Als Souverein Vorst per 29 maart 1814 en in maart 1815 als Koning van het Verenigd Koninkrijk kende Willem I een hoge prioriteit toe aan de opbouw van het Nederlandse leger en van de verdedigingswerken.

Bij Souverein Besluit van 28 juli 1814 werden allereerst de namen van de forten omgedoopt:

  • Kijkduin (voorheen Morland),

  • Erfprins (Lasalle),

  • Het Nieuwe Werk (Dugommier),

  • Dirksen Admiraal (L'Ecluse).

Ook de batterijen kregen Nederlandse namen:

  • Kaaphoofd (Batterie Imperiale),

  • Batterij tegen de Laan (Roi de Rome),

  • Oostbatterij (l'Indivisible) en

  • Princes Louisa (l'Union).

Willem VI bezocht Den Helder op 13 en 14 oktober 1814 en bij Souverein Besluit van 17 november besloot hij dat "... in 's Lands belang de noodzakelijkheid bestaat om de aan Den Helder aanwezige werken voort te zetten en te voltooien".

Het voormalige fort du Falga en het gedeelte omwalling ten zuiden van het Marine-Etablissement bleven buiten onderhoud, terwijl de Batterij aan de Laan in 1814 werd opgeheven.

Op 29 mei 1820 kwam Koning Willem I wederom naar Den Helder om fort Erfprins, de batterij Kaaphoofd en het fort Kijkduin te inspecteren. Vooral het dichtstuiven van de droge gracht op fort Kijkduin baarde hem zorgen.

In de jaren twintig zette men er vaart in. Zo werd in 1821/22 boven op het reduit van fort Kijkduin een 22 meter hoge verdedigbare vuurtoren gebouwd. Na de voltooing van het Groot Noord-Hollands Kanaal in 1825, werd aan de westzijde daarvan tegenover Het Nieuwe Werk een fort aangelegd met reduit en enveloppe met de toepasselijke naam fort Westoever. Eindelijk werd in 1825-1826 de linie, tussen fort Westoever en fort Dirksen Admiraal opgeworpen. In 1826 werd het tweede gedeelte van de linie, tussen het fort Erfprins en fort Dirksen Admiraal, gegraven en opgeworpen. Naast het aanleggen van twee scheidingsloten kwamen er twee draaibruggen over de grachten. Bij de verbetering van de Zeedijk werd de

Oostbatterij in 1826-1827 vergraven en in 1832 zelfs opnieuw aangelegd. De geplande bomvrije kazerne op het fort Westoever werd tussen 1828 en 1830 gebouwd. Ook de fundatie van een te bouwen kazerne op fort Dirksen Admiraal werd aanbesteed. Na vele ontwerpen werd uiteindelijk in 1832 een mortierbatterij aangelegd op het Wierhoofd met dezelfde naam en aan de batterij Louise (gelegen op de dijk tegenover het huidige marinemuseum) werd een mortierbatterij toegevoegd.

 

 

 

De Belgische Revolutie (1830-1839)

 

De afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden had grote gevolgen. De buitenlandse politiek, de opkomende neutraliteitsgedachte en het gehanteerde verdedigingssysteem hebben de werkzaamheden in de periode na 1830 ruim een eeuw sterk beinvloed. In 1833-1835 werd de voormalige kielplaats "Het Nieuwe Werk" omgebouwd tot fort Oostoever. In 1836 werd de batterij 't Kaaphoofd omgebouwd tot een tegemoetkomende batterij, terwijl het Retranchement om Den Helder werd verkocht en later geslecht.

 

Na de Tiendaagse Veldtocht (2-12 augustus 1831) kwam het pas in april 1839 tot een eindverdrag, dat de definitieve scheiding tussen Nederland en België regelde. Wegens de benarde financiële positie van de Staat moest er na 1839 zwaar worden bezuinigd, hetgeen leidde tot een aanzienlijke reorganisatie van het leger.

 

 

 

 

De afscheiding van België tot de Frans-Duitse oorlog (1839-1870)

 

Bij Koninklijk Besluit werd Den Helder in 1844 opgenomen in de lijst van vestingsteden. In de jaren tussen 1850 en 1860 werden gigantische bedragen uitgegeven om de forten en batterijen stormvrij te maken en te volmaken. Zo kreeg de batterij 't Kaaphoofd een ringmuur en munitieopslagplaatsen en op

fort Oostoever werd een buskruitmagazijn en een overwelfde bergplaats voor gevulde projectielen gebouwd. In 1860 werd de mortierbatterij Wierhoofd omgebouwd tot een kustbatterij met zes geschutsopstellingen en vijf bijbehorende remises en een kruitmagazijn.

 

Inmiddels werd op 21 december 1853 (Staatsblad 128) de Kringenwet van kracht, een wet die bepaalde dat rondom ieder verdedigingswerk kringen werden ingesteld (300, 600 en 1000 metrieke ellen), waarop verbodsbepalingen voor het bouwen, beplanten of wijzigen van de grondslag van toepassing konden zijn. Deze wet, die meermalen is gewijzigd, werd in 1963 ingetrokken. Wanneer men de huidige plattegrond van Den Helder bekijkt, dan heeft genoemde wet stedebouwkundig gezien zijn sporen nagelaten.

 

 

Verder werd in 1848 de gemeenschapslinie onder een ander profiel gebracht en werd de borstwering verhoogd, verzwaard en voorzien van een doorlopend infanteriebanket. Op drie plaatsen bouwde men batterijen, elk met acht emplacementen met bijbehorende remises die moesten dienen als schuilplaats en verbruiksmagazijn.

 

 

 

De Frans-Duitse oorlog (1870-1871)

 

De Frans-Duitse oorlog is ontstaan doordat men in leidende Franse kringen van oordeel was dat aan de toenemende macht van Pruisen sinds 1864 een absoluut einde moest worden gemaakt. In Parijs werd op 15 juli 1870 tot mobilisatie besloten en nog diezelfde dag besloot onze regering de lichtingen der militie, die niet met groot verlof waren, onder de wapenen te roepen. Op 16 juli werden de oproepingstelegrammen verzonden aan 29.500 miliciëns, behorende tot de lichtingen 1866-1869. Vier dagen later, op 19 juli 1870, verklaarde Frankrijk de oorlog aan Pruisen.

 

In Nederland werd op 19 juli 1870 het bevel uitgevaardigd dat alle vestingen, forten en versterkte stellingen van het Rijk onverwijld in staat van verdediging moesten worden gebracht. Bovendien werden er commandanten aangewezen voor het westelijk, het zuidelijk en het oostelijk frontier. Zij waren tevens bevelhebber van een militaire afdeling. Het westelijk frontier strekte zich uit van en met Willemstad tot en met Den Helder, waarbij de grootste aandacht was gevestigd op de verdediging van de zeegaten op het kustgedeelte Noordzeekanaal.

 

Na de nederlagen die de Fransen leden bij Metz (17 oktober) en bij Sedan (2 september) - waarbij keizer Napoleon III gevangen werd genomen - werd op 4 september 1870 de Derde Republiek uitgeroepen. Pas na de capitulatie van Parijs (28 januari 1871) werd op 10 mei 1871 de Vrede van Frankfort gesloten. De afloop van de Frans-Duitse oorlog is in aanzienlijke mate bepalend geweest voor de internationale verhoudingen tot 1914.

 

 

 

Vestingstelsel

 

Reeds in 1866 was een wetsontwerp tot regeling van het vestingstelsel toegezegd aan het parlement: een novum in de geschiedenis van Europa. In 1870 werd het eerste wetsontwerp ingediend (geraamde kosten 10,5 miljoen gulden en gereed in zes jaar). Ieder jaar werd dit ontwerp gewijzigd (tussen 1870 en 1875 traden niet minder dan zes ministers van oorlog op).

 

Uiteindelijk werd onder minister Weitzel op 18 april 1874 (St.bl. 64) "De wet tot regeling en voltooiing van het vestingstelsel" van kracht. Het bracht de lang gewenste concentratie van het vestingstelsel.

In artikel één van genoemde wet werd Den Helder als één van de negen gebieden aangewezen (en volgens artikel twee had de Stelling zelfs de hoogste prioriteit) om verbeterd en uitgerust te worden.

 

Verder werden in geheel Nederland oude vestingwerken vervallen verklaard en werd opdracht gegeven tot het inrichten en uitrusten van linies en stellingen. Tevens werd bepaald dat de stellingen vanaf 1 januari 1875 binnen een tijdperk van acht jaar verbeterd en voltooid moesten zijn. Een eis waaraan overigens niet is voldaan. (Kosten van het plan 30,5 miljoen gulden).

 

Voor Den Helder betekende dit dat de Oostbatterij  in 1875 werd geslecht en dat er voor f. 499.885,50 een bomvrij gebouw werd neergezet dat huisvesting moest bieden aan 1000 man. Hier boven op kwamen zes open emplacementen voor zwaar geschut.

 

In 1877 stonden drie nieuwe verdedigingswerken op het programma, te weten een fort "aan de Kooi", een fort "aan den voet ten westen van den Verloren Dijk" en een kustbatterij "op de zeedijk ten westen van het Meteorologisch Observatorium". Uiteindelijk werd alleen de laatstgenoemde zes jaar later gebouwd, zij het in een andere vorm.

 

Over de bouw van het fort op de Laan was niet iedereen het eens. Dit waterfort, dat gebouwd moest worden op een zandbank ten noorden van Kaaphoofd, stierf uiteindelijk op de tekentafel.

  

In 1880 begon men met de bouw van het neusje van de zalm: het pantserfort Harssens. De bewapening bestond uit twee pantserkoepels, elk met twee kanonnen van 30,5 cm (De grootste kanonnen die Nederland ooit had).

 

In 1882 werd het oorspronkelijke reduit van fort Dirksz Admiraal omgebouwd tot een bastion met zestien emplacementen voor geschut. De contouren van her fort bleven echter gehandhaafd. Op een eilandje ervoor bouwde men in datzelfde jaar een dubbele caponnière, van waaruit de kanonnen de linie van fort Erfprins tot aan fort Westoever konden bestrijken. De overige forten en kustbatterijen werden uitgebreid met onder meer remises.

 

In de zeedijk maar nu ten oosten van het Meteorologsch Observatorium bouwde men van 1883-1884 de eerder geplande kustbatterij c.q.  bewakingspost Vischmarkt. De batterij Louisa werd omgebouwd tot mortiermatterij.

 

Een geheel nieuwe vorm van verdedigingsbouw ontstond tussen 1901-1907 toen acht scherfvrije onderkomens werden gebouwd op de forten Erfprins, Dirksz Admiraal en op de gedekte gemeenschapslinie.

 

In de troonrede van 1909 werd een wetsontwerp aangekondigd tot versterking van de kustverdediging. Deze op 20 juli ingediende wet beoogde onder meer verbetering van de bestaande vestingwerken.

 

De memorie van toelichting vermelde dat het onderzoek van de commissie (het plan berustte op een in 1903 benoemde Staatscommissie bestaande uit land- en zeemachtofficieren, die in 1904 haar rapport had uitgebracht) dat de beoogde voorzieningen niet langer mochten worden uitgesteld.

Sinds de voltooiing van onze kustversterkingen kreeg een langs onze kust opererende vijandelijke vloot namelijk de beschikking over steeds meer aanvalsmiddelen.

 

Tijdens de openbare behandeling van het wetsontwerp in april-juni 1913 werd besloten hiervoor maximaal 12 miljoen gulden uit te trekken (in plaats van 40 miljoen, zoals eerst de bedoeling was). 

 

Fort Kijkduin mocht echter wel gemoderniseerd worden. Men bestelde in Duitsland twee pantserkoepels, elk met twee kanonnen van 28 cm lang 45. Na de sloop van de contrescarpmuur en een gedeelte van het westelijke bastion, stopte men enkele jaren later met de uitbreiding. Ten zuiden van het oude fort werd een geheel nieuw fort Kijkduin gebouwd (het zgn. 'Miljoenenfort' Kijkduin), alwaar het inmiddels bestelde geschut een nieuwe plaats zou krijgen.

 

 

 

 

De mobilisatie Eerste Wereldoorlog (1914-1918)

 

Na de politieke moord op het Oostenrijks-Hongaars Aartshertogelijk paar op 28 juni 1914 te Serajewo, werden op 30 juli uit strategische voorzorg de landweer, de grens- en kustwacht opgeroepen. Op 31 juli 1914 om 02.00 uur werd het bevel tot algemene mobilisatie van de weermacht uitgevaardigd. In dit bevel werd 1 augustus 1914 als eerste mobilisatiedag bestemd. De stelling Den Helder werd in gereedheid gebracht en van veiligheidsbezetting voorzien. Direct werden prikkeldraadversperringen gelegd bij toegangswegen tot de stad, op de Huisduinerweg en over stukken land. Diverse scholen werden als kazerne ingericht. Het zeefront werd aanmerkelijk versterkt met geschut kaliber van 21 tot 7.5 cm van uit dienst zijnde of reeds van de sterkte afgevoerde marineschepen. In totaal werden 78 marine-kanonnen langs de gehele Nederlandse kust geplaatst.

  

1914 Tentenkamp op het Galgenveld te Den Helder

 

Bij KB werd bepaald dat met ingang van 16 augustus 1916 in de Stelling Den Helder de Vlagofficier Commandant der Marine te Willemsoord het bevel zou voeren. Hij kreeg als zodanig de titel van Commandant der Stelling van Den Helder. Aan hem werden toegevoegd een luitenant ter zee der eerste klasse (Koninklijke marine), een kapitein van de Generale Staf en een kapitein van de vesting-artillerie van de landmacht.

In het duinterrein ten zuidoosten van fort Kijkduin deed men in 1916 op experimentele ervaring op in het ontwikkelen van acht verdedigingswerken van gewapend beton.

Eindelijk kwam het op 11 november 1918 tot een wapenstilstand en kon de demobilisatie beginnen. Voor de onder de wapenen geroepen militairen kwam er een einde aan vier jaar verveling en ergenis.

 

 

 

 

 

Het Interbellum (1918-1940)

 

Na de Eerste Wereldoorlog bleek pas hoe sterk de Stelling van Den Helder verouderd was. Het inmiddels bestelde achterhaalde 28 cm geschut voor het nieuwe 'miljoenenfort Kijkduin' werd daarom niet geplaatst en uiteindelijk stopte men in 1920 met de bouw.

De verdedigingswerken aan de landzijde lagen -gemeten naar de draagkracht van de toenmalige artillerie- veel te dicht bij de te verdedigen objecten. Bovendien konden de vijandelijke schepen de verdedigingswerken aan de zeezijde waarnemen.

De defensieuitgaven daalden desondanks van f 207 miljoen in 1919 tot f 100 miljoen in 1921, een peil dat tot 1936 gehandhaafd bleef.

 

Op 1 september 1922 smolten de stelling van Amsterdam, de Nieuwe Hollandse waterlinie, de stelling van het Hollandsch diep en 't Volkerak en de stelling van de Monden van de Maas en 't Haringvliet samen tot de vesting Holland.

De stelling van Den Helder bleef afzonderlijk in de vesting Holland. Op dezelfde datum werd het Korps Pantserfortartillerie opgeheven en ondergebracht bij het Regiment Kustartillerie. De kanonnen van het pantserfort Harssens zwegen na 1923. Het fort had uit militair oogpunt geen nut meer. Verder werden als vestingwerk opgeheven de Louisa batterij (1922) en de batterijen Vischmarkt en Wierhoofd (1926).

 

De verdedigingswerken werden voorzien van luchtfilterinstallaties omdat tijdens de Eerste Wereldoorlog ("loopgravenoorlog") twee nieuwe gevechtsmiddelen waren ontwikkeld: strijdgas (in 1915 gebruikt door de Duitsers) en de tank (in 1916 door de Engelsen). De nadruk werd nog meer gelegd op het ontwerpen en bouwen van kleine betonnen verdedigingswerken (bunkers). Toen de Afsluitdijk vaste vorm begon aan te nemen stond men op het toenmalige Ministerie van Oorlog niet bepaald te juichen. Het was al moeilijk genoeg om de vesting Holland met de beschikbare middelen te verdedigen en deze nieuwe toegangsweg leverde nog eens extra problemen op. De oplossing werd gevonden in het aanleggen van moderne afweerlinies. In korte tijd verrezen bij de sluiscomplexen van Den Oever en Kornwerderzand twee stellingen die aan hoge eisen voldeden. Zodoende werd de stelling Den Helder uitgebreid tot aan de oostkant van de Afsluitdijk (Wons). Behalve dat de stellingen de marinebasis beschermde, sloot ze ook de toegang tot de Zuiderzee af en verleende zodoende indirecte steun bij de verdediging van de Stelling van Amsterdam.

 

Door een zuinige defensiepolitiek werd - door een dreigend Nazi Duitsland - pas in het eind van de jaren dertig, Den Helder voorzien van 34 betonnen kazematten. Gebouwd werden er 25 aan de Noordzeezijde en 8 aan de landzijde, doch wederom voorzien van oud scheepsgeschut.

 

In de Grafelijkheidsduinen ten oosten van fort Kijkduin werden eind jaren twintig en 1939 drie geschutsemplacementen, elk met en munitiebewaarplaats en een munitielift gebouwd. Ze vormden als geheel de "Batterij Helsdiep". Verder bouwde men nog de batterijen "Begraafplaats" en "Vrede en Vrijheid".

 

 

 

De Mobilisatie 1939

 

Op maandag 28 augustus 1939 meende de regering niet langer te kunnen wachten met het nemen van de uiterste voorzorgsmaatregel en werd het bevel gegeven tot mobilisatie van leger en vloot. Op 3 september riep de regering de officiële Neutraliteitsproclamatie uit en op 1 november 1939 werd de "Staat van Beleg" afgekondigd voor plaatsen waar militaire verdedigings werk waren of werden aangelegd. In Den Helder werden de vijf bataljons van de landmacht voornamelijk gelegerd in de forten Erfprins, Dirksz Admiraal, Kijkduin, Westoever en in de Oostbatterij

 

Gedurende het jaar 1939 had de Koninklijke Marine de nodige zeemijnen gelegd voor de kust bij Den Helder. Op 30 december 1939 ontplofte zowel in de vroege morgen als 's avonds een zeemijn tegen de dijk in Huisduinen en richtte een schade van f. 7000,- aan het N.V. Zeebad. In de nacht van 18 januari 1940 richte een mijnontploffing een nog grotere schade aan. Een Nederlandse mijn, die door de westerstorm naar de kust was gedreven, sloeg bij hoog water vlak voor de Badhuisstraat een gat van acht meter in de dijk. Van het hotel annex paviljoen N.V. Zeebad Huisduinen was geen ruit meer heel. Ook het Rode Kruisgebouw en een aantal villa's aan de Kijkduinlaan werden ernstig beschadigd aan ramen en daken.

 

Omdat de spanningen opliepen, trok Generaal H.G. Winkelman op dinsdagochtend 9 april 1940 alle periodieke verloven in voor de grensbataljons en de Stelling Den Helder. Op 13 april 's avonds meende een commandopost van de landmacht in Huisduinen op grote afstand zestien geblindeerde Duitse schepen te zien, die naar het zuiden voeren. Of dit inderdaad het geval was is niet meer te achterhalen; in ieder geval kwamen Generaal Winkelman, generaal-majoor H.F.M. Baron van Voorst tot Voorst (Chef Staf) en vice-admiraal J.Th. Furstner (chef marinestaf) voor een spoedberaad bijeen.

 

Op 19 april 1940 werd de "Staat van Beleg" afgekondigd. Op 7 mei 1940 meldde de Regeringsdienst dat alle verloven werden ingetrokken en dat iedereen zich onverwijld naar hun onderdelen moest terugkeren. Commandant Stelling Den Helder Schout-bij-nacht H(oyte) Jolles (C.Stg.H.) en zijn staf namen op 9 mei 1940 hun intrek in de Oostbatterij aan de Kanaalweg. In dit fort aan de dijk bevonden zich naast de commandopost C.Stg.H. ook de chef staf landmacht en een verbindingscentrale.

 

 

 

De Tweede Wereldoorlog (1940-1945)

 

Op vrijdag 10 mei 1940 om 03.00 uur overschreden Duitse troepen onze grenzen en om 04.00 uur bombardeerde de Duitse luchtmacht Nederlandse vliegvelden. Na het lafhartige bombardement op Rotterdam capituleerde Generaal Winkelman. Hij gaf Schout-bij-nacht H. Jolles opdracht de Stelling Den Helder op te geven. Met tegenzin tekende deze laatste op 15 mei 1940 in hotel "De Wijnberg" te Sneek de overgave. Namens Duitsland tekende Generalmajor Kurt Feldt.

De Duitse krijgsmachtonderdelen Heer (landmacht), Kriegsmarine (marine) en Luftwaffe (luchtmacht) begonnen in 1940 met de bouw van de eerste fase van de Atlantikwall, de grootste verdedigingslinie ooit in West-Europa gebouwd. De Kriegmarine versterkte allereerst de havens met kustbatterijen, die met scheepsgeschut werden uitgerust.

 

Na de herfst van 1942 ving de tweede fase van de Atlantikwall aan met de bouw van permanente verdedigingswerken met een standaardisatie in de bunkerbouw. De belangrijkste havens werden versterkt en 'Verteidigungsbereich' genoemd, terwijl de tussenliggende strategische gebieden de naam kregen van 'Stützpunktgruppe'. Den Helder werd als één van de twaalf versterkte plaatsen als 'Verteidigungsbereich Den Helder' bestempeld. De Duitsers ontmantelden het pantserfort Harssens,  en het reduit van het Napoleontische fort Kijkduin werd voorzien van een gewapend betonnen dak van "60 cm. Ten noord-westen van fort Kijkduin in Huisduinen werd nog een administratiekantoor Marine Artillerie Waffenkommando gebouwd, dat in Den Helder bekend staat als "officierscasino".

 

De Duitse legeronderdelen bouwden in Den Helder meer dan 300 bunkers, waarvan "150 stuks 'Regelbau' (standaardtypen). Langs de gehele kust moesten huizen plaats maken voor verdedigingswerken; zo ook in Den Helder, waar honderden woningen werden gesloopt. Ten zuiden van Julianadorp groef men vanaf het Noordhollands Kanaal tot aan de duinrand een natte tankgracht die in de duinen overging in een "Höckerhindernis" (betonnen obstakels).

Toen eindelijk Nederland op 5 mei 1945 op grote schaal de bevrijding vierde, duurde het echter voor Den Helder nog drie dagen (en voor Texel zelfs tot 20 mei) tot er een einde kwam aan vijf jaar Duitse overheersing.

Höckerhindernis (betonnen obstakels)

 

 

 

De naoorlogse periode (1945-1993)

 

De ervaringen, opgedaan tijdens de oorlog (voornamelijk de dreiging vanuit de lucht) hebben er toe geleid dat alle Helderse vestingwerken 'van geene klasse' werden bestempeld. In 1949 werd de Gemeenschapslinie opgeheven (opgekocht door de gemeente Den Helder) en in 1951 trof fort Erfprins eenzelfde lot. De Koninklijke marine nam begin jaren vijftig het van oudsher bij de Koninklijke Landmacht in gebruik zijnde fort Erfprins en de Oostbatterij over om ze als opleidingsscholen te gebruiken. De forten Kijkduin en Westoever werden opslagplaatsen voor munitie.

 

Mede als gevolg van de "Koude Oorlog" tussen Amerika en Rusland bouwde de Koninklijke Luchtmacht begin jaren vijftig ten westen van de Langevliet nog enige radarbunkertjes. Ze werden jaren later buiten gebruik gesteld.

 

In 1957 besloot men in verband met de uitvoering van de havenwerken de bovenbouw van het pantserfort Harssens te slopen. In formele zin werden uiteindelijk bij KB van 1 november 1958 (Staatsblad 503) als vestingwerk opgeheven de forten Dirksz Admiraal, Kijkduin, Westoever en Oostoever de kustbatterijen Kaaphoofd en de Oostbatterij.

 

Vanwege het ophogen van de dijken midden jaren vijftig werden de kustbatterijen Wierhoofd, Kaaphoofd, het werk Vismarkt alsmede alle bunkers op de dijk gesloopt.

Fort Harssens werd in verband met het uitbreiden van de Nieuwe Haven onder het puin en zand bedolven. Tenslotte werd in 1976 tijdens het verhogen van de dijk tot Delta-hoogte de unieke kustbatterij Oostbatterij gesloopt.

 

 

 

 

 

Het behoud van verdedigingswerken

 

Inmiddels was op 18 april 1932 de Stichting Menno van Coehoorn opgericht. Deze landelijke stichting heeft zich ten doel gesteld de instandhouding te bevorderen van oude, buiten militair gebruik gestelde vestingwerken in Nederland als gedenktekenen van geschiedenis, kunst en als natuurmonumenten.

 

In Den Helder groeide pas aan het eind van de jaren tachtig voornamelijk om economische redenen het besef de verdedigingswerken voor het nageslacht te behouden. Om de krachten te bundelen werd op 5 juli 1989 de Stichting Stelling Den Helder opgericht met het doel de voor de historie en ontwikkeling van Den Helder en uit algemeen bouwkundig oogpunt van belang zijnde vestingwerken te behouden, te beschermen, zo veel mogelijk te restaureren en opnieuw functioneel te maken. Als speerpunt werd fort Kijkduin gekozen. Voor de restauratie van het fort werd 7.2 miljoen gulden subsidie verkregen.

 

 

 

Nawoord

 

Met gemengde gevoelens zie ik de toekomst tegemoet. Verheugd, omdat kortgeleden enige verdedigingswerken op de monumentenlijst zijn geplaatst. Woedend, vanwege het verdwijnen van fort Oostoever en sceptisch ten opzichte van de gemeente Den Helder die zonder kennis van zaken drie scherfvrije onderkomens liet opknappen, waarbij uit onkunde de privaten werden dichtgemetseld. Sceptisch ook omdat de gemeente drie Duitse bunkers op fort Dirksz Admiraal verhuurt aan particulieren. Op zich een goede zaak, echter, het 'opknappen' laat men aan de huurders over zonder hieraan voorwaarden te stellen. Het is niet ondenkbaar dat onherstelbare schade wordt (of al is) aangericht. Het zou beter zijn de werken te consolideren tot de bouwhistorie achterhaald is.

 

Den Helder herbergt een scala van verdedigingswerken uit alle tijdsbeelden die nationaal maar ook internationaal bekendheid genieten: vooral de jongste verdedigingswerken, waaronder unieke Duitse bunkercomplexen te Huisduinen, op fort Dirksz Admiraal, de Zanddijk, de Nollen, de Garst maar ook op het Rijkswerfterrein.  In de duinen en elders in Den Helder staan Nederlandse en Duitse verdedigingswerken die nergens anders voorkomen of alleen nog hier aanwezig zijn.

 

Natuurlijk ben ik mij ervan bewust dat met name de Duitse betonnen bouwsels negatieve sentimenten kunnen oproepen. Maar de Fransen die destijds de Helderse forten bouwden waren ook niet bepaald onze vrienden.

 

 

 

2004

Op 22 juni presenteert het bureau H+N+S samen met Beek & Kooiman Cultuurhistorie het rapport ‘Herstel van de Stelling van Den Helder. Hierin staan voorstellen om het dijkprofiel van de gemeenschapslinie te restaureren en drie coupures te benadrukken alsmede het vergroten van de herkenbaarheid van de forten West- en Oostoever.

B&W van Den Helder heeft een verzoek ingediend bij het Rijk om de Stelling van Den Helder aan te wijzen als beschermd stadsgezicht. Een antwoord hierop wordt medio augustus 2005 ingewacht.

Tevens loopt er een procedure met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg over een eerder gedaan verzoek om een Duits telefoonschakelstation (bunkertype 616 Großschaltstelle) aan de Boerhaavestraat aan te wijzen tot beschermd monument.

 

 

2005

De monumentencommissie van de gemeente Den Helder heeft in samenspraak met de Stichting Stelling Den Helder een inventarisatie gemaakt van de nog aanwezige Duitse bunkers. De commissie zal voor de zomer 2006 een integraal advies uitbrengen aan B&W welke bunkers beschermd dienen te worden. Het uiteindelijke standpunt zal worden voorgelegd aan het Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland.

Op 21 november heeft de gemeenteraad van Den Helder ingestemd om het Duitse telefoonschakelstation (616 Großschaltstelle) aan de Boerhaavestraat aan te wijzen tot beschermd rijksmonument. Het wachten is op uitslag van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg

Het herstellen van het metselwerk van de Helderse keelpoort (1835-1836) op fort Erfprins is afgerond. Alleen het tegelwerk op het dak en het traliewerk dient geplaatst te worden. De werkzaamheden aan het interieur zijn in nog volle gang. De verwachting is dat 1 maart 2006 de restauratie zal zijn voltooid, waarna het gebouw als ontvangstgelegenheid wordt ingericht.

Vanwege bezwaarschriften tegen het plan om het dijkprofiel van de gemeenschapslinie te restaureren en drie coupures te benadrukken heeft nog geen doorgang gevonden

 

 

2008

I.v.m. bouwplannen voor een nieuw te bouwen winkelcentrum "De Riepel" in Julianadorp (tegenover het Loopuytpark) zijn twee bunkers van het type 134 Munitionsunterstand I en 502 Doppelgruppenunterstand afgebroken.